Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Profiel van de Nederlandse Overheid H1,2,3(nie 3),4,5

Dovnload 127.63 Kb.

Profiel van de Nederlandse Overheid H1,2,3(nie 3),4,5



Pagina3/4
Datum28.12.2018
Grootte127.63 Kb.

Dovnload 127.63 Kb.
1   2   3   4

9.3 Dualisering bij de provincie

Dualisme is taal – en staatkundig de tegenhanger van monisme. Monisme wil zeggen dat het bestuur echt in één is. Er is geen duidelijk onderscheid tussen Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten. Het doel van deze wet is het ontvlechten ofwel uit elkaar halen van met name Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten. Dit gebeurt op verschillende manieren. Allereerst wordt het niet langer mogelijk dat iemand zowel lid van PS als van GS is. Iemand die nu gekozen wordt als statenlid en toe wil treden tot het college van GS zal moeten aftreden als statenlid (dualisme). Het wordt ook mogelijk om gedeputeerden ‘van buiten’ toe benoemen, die dus niet eerst als statenlid gekozen zijn. Ze moeten alleen wel in de provincie wonen of (binnen een jaar) gaan wonen.

Ten eerste wordt op deze manier duidelijk wie waarvoor verantwoordelijk is en dit zou de positie van de provincie moeten versterken. Ook het verloren contact met de burger zou mogelijk weer hersteld kunnen worden. Ten tweede worden de controlerende, verordenende en volksvertegenwoordigende bevoegdheden van PS nadrukkelijker vastgelegd. In de wet is expliciet een aantal rechten opgenomen van statenleden, te weten het recht van initiatief, het recht van amendement, het recht op ambtelijke bijstand, het recht van interpellatie en het vragenrecht. Nieuw zijn de inlichtingenplicht van de GS en het recht van onderzoek (enquête). De inlichtingenplicht houdt is dat GS actief alle inlichtingen moeten verstrekken die PS nodig hebben voor het uitvoeren van hun taken. Naast dit recht van onderzoek kent de Wet dualisering provinciebestuur nog drie andere soorten onderzoek. Dit zijn de aangescherpte en uitgebreide accountantscontrole, de provinciale rekenkamer(functie) en het onderzoek van GS naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het eigen bestuur. Ten derde worden de bestuursbevoegdheden geconcentreerd bij GS. Zodra er in de Grondwet, de Provinciewet of een van de medebewindswetten sprake is van provinciale bestuursbevoegdheden, worden die nu toebedeeld aan het college van GS.

De griffier heet nu provinciesecretaris. Deze provinciesecretaris is en blijft de hoogste ambtenaar. De provinciesecretaris heeft de leiding over het ambtenarenapparaat en vormt de verbinding tussen het college van GS en de provinciale ambtenaren. De provinciesecretaris is aanwezig bij alle vergaderingen van GS en ondertekent samen met de CvK en de gedeputeerden alle genomen besluiten. De PS hebben een eigen statengriffier gekregen.

De CvK blijft een politieke functie op enige afstand van de provincie, hij wordt immers benoemd door de Kroon. Zijn positie wordt echter versterkt. De CvK wordt nadrukkelijker betrokken bij de collegevorming, hij krijgt als voorzitter van het college van GS de taak om te zorgen voor een meer collegiaal bestuur en hij krijgt een aantal ‘zorg’ taken. Zo wordt hij de provinciaal beleidscoördinator en moet hij zorgdragen voor de samenwerking met ander overheden. Tot slot blijft hij de mogelijkheid houden om te interveniëren in alle provinciale aangelegenheden. Hij blijft de voorzitter van de vergaderingen van GS én van PS. Zijn voorzitterschap van PS wordt nu echter, overgenomen door het langstzittende statenlid (en niet meer door een gedeputeerde).

9.4 Overige organisaties op provinciaal niveau: Interprovinciaal Overleg (IPO)

De provincies werken samen in het IPO. Het IPO verricht werk voor de provincies zelf, maar is ook een belangrijk lobbyist voor de gezamenlijke provincies.


Hoofdstuk 10 Decentrale overheden: de gemeente

10.1 Inleiding

-

10.2 De gemeentelijke overheid

Gemeenten hebben twee soorten taken:

1. de autonome taken: de regeling en het bestuur inzake de huishouding van de gemeente

2. de medebewindstaken: het uitvoeren van het rijksbeleid

Belangrijk daarbij is dat de gemeente gezien wordt als het overheidsloket voor de burgers.

10.2.1 De bestuurders

De gemeenteraad wordt rechtstreeks door de bevolking gekozen en is dan ook de volksvertegenwoordiging van de gemeente. De raad bestaat uit fracties. Een fractie bestaat uit alle gekozen raadsleden van een bepaalde partij. Fractiespecialisten zijn personen in een bepaalde fractie die zich op een bepaald onderwerp hebben gespecialiseerd. Veel fracties hebben een aantal medewerkers in dienst die de gemeenteraadsleden kunnen ondersteunen bij de uitvoering van hun raadswerk. De leden van de gemeenteraad benoemen de wethouders. Bij het kiezen van de wethouders zijn drie varianten mogelijk:

1. het afspiegelingscollege: de verhoudingen tussen de aantallen gekozen wethouders per partij zijn ongeveer gelijk aan de verhoudingen tussen de aantallen gekozen raadsleden per partij in de gemeenteraad.

2. meerderheidscollege: de meerderheid van de gemeenteraar vormt een coalitie en kiest daarbij wethouders.

3. programcollege: college van B&W komt tot stand op basis van verkiezingsafspraken of een politiek programma.

De burgemeester is de voorzitter van het college van B&W en heeft daarnaast nog andere bevoegdheden: de handhaving van de openbare orde en het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden. Zowel de burgemeester als de wethouders zijn verantwoording schuldig aan de gemeenteraad. De burgemeester wordt voor zes jaar door de Kroon benoemd en daarna eventueel herbenoemd. Als er een vacature voor een burgemeester is, dan wordt vaak door de gemeenteraad op papier gezet welke eisen zij aan de nieuwe burgemeester stellen -> profiel. De gemeenteraad en het college van B&W vormen samen het bestuur van de gemeente. Het college van B&W is belast met het dagelijks bestuur van de gemeente.



10.2.2 De gemeentelijke organisatie

De gemeentesecretaris is:



  • Hoofd van de gemeentesecretarie

  • Adviseur van het college van B&W

  • Coördinator tussen de secretarie en de diensten en bedrijven

  • Hoofd van het ambtelijk apparaat en belangenbehartiger van het personeel bij het college van B&W

De gemeenteraadsecretarie kent meestal een aantal typen afdelingen:

  • Beleidsafdelingen

  • Beheersafdelingen

  • Administratieve afdelingen

In de gemeentesecretarie is de juridisch-bestuurlijke kennis geconcentreerd. Bij de gemeentelijke diensten is de specialistische kennis geconcentreerd.

Het departementale of sectorenmodel

In de nieuwe organisatiestructuur worden ambtenaren van de secretarie en de diensten samengevoegd. Het departementale model: aan het hoofd van elke sector of departement staat een sectordirecteur. Bij veel gemeenten zal het voorkomen dat een wethouder politiek verantwoordelijk is voor het werk van meerdere sectoren gelijk. Een voordeel van het departementale model is dat alles wat bijvoorbeeld te maken heeft met welzijnswerk zo veel mogelijk valt binnen dezelfde sector. Onderlinge afstemming wordt daardoor beter mogelijk.



Het concernmodel

Veel gemeenten zijn de afgelopen jaren overgestapt naar een zogenaamd concernmodel. Dit model past bij het invoeren van een meer bedrijfsmatig denken en werken in de gemeentelijke organisatie. Interne verzelfstandiging houdt in dat de leidinggevenden van een gemeentelijke dienst of afdeling veel vrijheden hebben. De politiek stelt de kaders vast en de leidinggevenden bepalen hoe dat gebeurt en met inzet van welke middelen. Er is dus een duidelijke scheiding van verantwoordelijkheden tussen het gemeentebestuur en de leidinggevenden van de gemeentelijke diensten. De afspraken worden vooral gemaakt over de output. In de praktijk blijkt het heel lastig om met deze outputbenadering te werken. Gemeenten zijn namelijk geen bedrijven. Dit model heeft ook nog een aantal andere risico’s. De diensten richten zich namelijk vooral op zaken die goed te meten zijn, want daar worden ze op afgerekend door de politiek. Maar dat zijn lang niet altijd de belangrijkste zaken. De ambtenaars krijgen in dit model veel meer macht en de politieke controle komt op grotere afstand -> niet altijd voldoende controlemogelijkheden. Ten slotte bevordert ook dit model het ‘eilanddenken’. Iedere dienst is sterk bezig met de eigen resultaten of output en niet met de zaken die op de langere termijn spelen en/of de organisatie als geheel betreffen -> een vorm van verkokering.



Het één-loketmodel

Het idee achter dit model is dat zo veel mogelijk van de gemeentelijke dienstverlening wordt samengebracht in één loket. De klant heeft dan één duidelijk aanspreekpunt (frontoffice) en ziet niet wat er achter de schermen (backoffice) gebeurt. Dit kan een centrale balie zijn in het gemeentehuis of via internet een virtueel loket.

Het is daarbij van groot belang dat de verschillende diensten en afdelingen goed samenwerken en dat de informatievoorziening deze samenwerking ook daadwerkelijk ondersteunt. De overheid werkt op diverse manieren aan het verbeteren van de publieke dienstverlening. Twee initiatieven: good governance en Overheid heeft Antwoord.

Good governance

Om ervoor te zorgen dat de burger steeds op een professionele en betrouwbare overheid kan rekenen is toen door het ministerie van Binnenlandse Zaken een code voor good governance ontwikkeld. Deze code geldt voor alle overheden. In de Nederlandse code voor goed openbaar bestuur staan zeven beginselen:

1. Het bestuur is open en integer en maakt duidelijk wat het daaronder verstaat.

2. Het bestuur weet wat er leeft in de maatschappij en laat zien wat het daarmee doet.

3. Het bestuur zorgt ervoor dat hijzelf en de organisatie zich behoorlijk gedragen in contacten met de burgers.

4. Het bestuur maakt de doelen van de organisatie bekend en neemt de beslissingen en maatregelen die nodig zijn om de gestelde doelen te behalen.

5. Het bestuur neemt de beslissingen en maatregelen die het mag nemen en die in overeenstemming zijn met geldende wet – en regelgeving. De beslissingen zijn te rechtvaardigen.

6. Het bestuur verbetert zijn prestaties en die van de organisatie, en richt de organisatie hier op in.

7. Het bestuur is bereid zich regelmatig en ruimhartig jegens de omgeving te verantwoorden.

Overheid heeft Antwoord

Overheid heeft Antwoord werkt aan één toegankelijke overheid door het ontsluiten en vindbaar maken van overheidsinformatie. En door overheden in staat te stellen vragen van burgers en bedrijven te beantwoorden. Het concept Overheid heeft Antwoord bouwt voort op Overheidsloket 2000. Onderdeel daarvan is dat iedere gemeente een klantcontactcentrum(KCC) inricht. 10.3 Dualisering bij de gemeente

Deze wet regelt het uit elkaar halen (ontvlechten) van de gemeenteraad en het college van B&W.

De wijze waarop de ontvlechting aangepakt wordt, lijkt sterk op die bij de provincie.

Allereerst mogen de wethouders geen deel meer uitmaken van de gemeenteraad. De wethouders mogen ook van buiten de raad komen, mits ze in de gemeente (gaan) wonen.

Ten tweede wordt de kaderstellende en controlerende taak van de gemeenteraad verstevigd. Dit gebeurt onder andere door het vastleggen van het recht van initiatief, het recht van amendement, het recht op ambtelijke bijstand, het vragenrecht en het recht van interpellatie. Voor met name kleine fracties biedt het nieuwe mogelijkheden om onderwerpen op de politieke agenda te krijgen. Een nadeel is wel dat het verleidelijk wordt om over allerlei onderwerpen vragen te stellen terwijl enige terughoudendheid soms op haar plaats is. De raad zou zich namelijk veel meer op de hoofdlijnen of de beleidskaders moeten richten en niet op de details.

Discussie terugbrengen in de gemeenteraad betekent onder meer dat raads– of statenleden die dezelfde politieke kleur hebben als het college, het beleid van dit college moet kunnen tegenspreken of aanvallen. Het is voor de raadsleden wel wennen aan deze nieuwe, meer assertieve rol. Er zullen een paar politieke generaties overheen gaan voor we kunnen zeggen of het invoeren van dualisme echt leidt tot een democratischer bestuur.

Voor de gemeenteraad worden begroting en jaarrekening/jaarverslag centrale stukken. Ook de gemeenteraad heeft als nieuw controle-instrument het recht van onderzoek(enquête). Net als bij de provincie zijn er verder: de aangescherpte accountantscontrole gericht op het beoordelen van de rechtmatigheid van gedane uitgaven en het beleid, de gemeentelijke rekenkamer(functie) die onderzoeken uitvoert, en het bestuur voert zelf verplicht onderzoek uit naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het eigen bestuur. Allemaal mogelijkheden om de controlefunctie beter uit te oefenen. Veel werk van de raadsleden vindt plaats in de raadscommissies. De status van deze commissies is ook veranderd. Het accent komt meer te liggen op de voorbereiding van de raadsbesluiten en het ter verantwoording roepen van de bestuurders dan op het medeverantwoordelijk zijn voor bestuursbeslissingen. Verder is de voorzitter van zo’n commissie een raadslid en niet zoals voorheen de wethouder.

Tot slot nog enkele andere gevolgen. Vele gemeenten hebben een presidium, seniorenconvent of agendacommissie ingesteld. Dit orgaan zorgt voor het vaststellen van de agenda van de gemeenteraad. De rol van de burgemeester wordt versterkt: voorzitter gemeenteraad, bij afwezigheid wordt hij vervanger door het langstzittende raadslid (voorheen wethouder) en hij schrijft een burgerjaarverslag. In dit jaarverslag moet hij aandacht besteden aan de kwaliteit van de gemeentelijke dienstverlening en de wijze waarop de burgers in zijn gemeente participeren, hij mag ook eigen onderwerpen toevoegen.

De gemeenteraad benoemt een eigen griffier. De belangrijkste taak van deze griffier is het bijstaan van de raad en de raadscommissies. Hij bemiddelt en coördineert namens de raad bij verzoeken om informatie of bij het inroepen van ambtelijke ondersteuning. De griffier is medeondertekenaar van alle stukken die van de raad uitgaan.



10.4 Overige organisaties op gemeentelijk niveau

Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)

De rol van de VNG is vergelijkbaar met die van het IPO bij de provincies. De VNG heeft drie kerntaken: het behartigen van belangen van de gemeenten, dienstverlening aan leden en het vormen van een platform voor discussie.



Intergemeentelijke samenwerkingsverbanden

Verlengd lokaal bestuur; de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. Elke gemeente in Nederland werkt samen in een of meer samenwerkingsverbanden.



10.5 Ontwikkelingen bij de gemeenten

Er is bij de gemeenten veel gebeurd om de efficiency te vergroten of om de burger meer dan voorheen bij het bestuur te betrekken.

1. het samenvoegen van kleine gemeenten, het deels opsplitsen van de grote.

2. een nieuw vergadermodel



10.5.1 Herindeling en deelgemeenten

Veel gemeenten hebben te maken of te maken gehad met herindelingsplannen. Het is de bedoeling dat door de herindeling de efficiency van de gemeenten verbetert. De gedachte hierachter is dat kleine gemeenten niet opgewassen zijn tegen de vraagstukken die op lokaal niveau op het bestuur afkomen. Een gemeente moet daarvoor voldoende bestuurskracht hebben, waar een bepaalde minimumomvang voor nodig is. Een gemeentelijke herindeling kan ook dienen om lokale knelpunten op te lossen. Zo gaan centrumgemeenten vaak samen met randgemeenten. Daarbij zouden voor beide partijen voordelen moeten ontstaan. De centrumgemeente heeft allerlei voorzieningen (scholen, winkels) waarvan de inwoners van de randgemeenten gebruik kunnen maken. De randgemeente heeft mogelijk nog ruimte voor woningbouw of voor een bedrijventerrein. Waar kleinere gemeenten samengaan tot een groter geheel zag je bij de grotere gemeenten een omgekeerde tendens. Daar werd, ook uit efficiencyoverwegingen, juist gekozen voor het instellen van stadsdelen of deelgemeenten (binnengemeentelijke decentralisatie). Deze stadsdelen kregen taken en bevoegdheden van de centrale stad overgedragen. Om deze taken uit te kunnen voeren kreeg het stadsdeel een eigen ambtelijke organisatie en werd er door de inwoners een deelraad gekozen.



10.5.2 Efficiënter vergaderen

De ‘oude’ manier van werken waarbij de onderwerpen eerst voorbesproken werden in de commissievergaderingen, waarna enige tijd later de besluitvorming in de raad plaatsvond, wordt in een steeds groter aantal gemeenten vervangen door andere manieren van werken. Soms worden de commissievergaderingen afgeschaft; wat daarvoor in de plaats komt, vullen de gemeenten verschillend in. Een aantal gemeenten heeft een systeem van politieke markten ingevoerd. Wekelijks of tweewekelijks vindt de raadsvergadering plaats volgens een vaste structuur. Het eerste deel van de avond is de politieke markt: dan worden in verschillende vergaderruimten gelijktijdig meerdere onderwerpen besproken. Het tweede deel van de avond is de officiële raadsvergadering. In deze raadsvergadering vindt allereerst het debat plaats en vervolgens neemt de raad hier zijn besluiten. Vaak is het onderwerp in een eerdere politieke markt voorbereid en besluitrijp verklaard. De debatten kunnen daardoor kort zijn. In andere gemeenten zijn varianten hierop ontwikkeld. Hilversum bijvoorbeeld verdeelt een raadsvergadering in drieën: Het Forum (ontmoeting burger en politiek), De Discussie (in meerdere zalen tegelijk) en Het Besluit (de raadsvergadering). Ook zijn er gemeenten die nu werken met een systeem van rondetafelgesprekken. Daar zitten raadsleden en niet-raadsleden samen om de tafel. Tijdens een dergelijk gesprek kunnen ze nieuwe ontwikkelingen aangeven, hun wensen kenbaar maken of hun opvattingen geven over specifieke beleidsvoornemens.



10.5.3 Dichter bij de burger

Op verschillende manieren is er geprobeerd de lokale democratie te versterken:

1. De gekozen burgemeester

Groot voordeel: de burgemeester zou meer draagvlak krijgen onder de bevolking. Dat zou de betrokkenheid van de burgers bij de politiek vergroten. Risico’s: hoe zal het gaan met bevoegdheden? Nemen die toe ten koste van de wethouders of nemen ze af. Gekozen burgemeester heeft niet de benodigde capaciteiten.

2. Het burgemeestersreferendum

In zo’n referendum mochten de burgers kiezen uit twee door de gemeenteraad geselecteerde kandidaten, uitslag ->adviserend. De gemeenteraad moest het advies van zijn burgers betrekken bij zijn besluitvorming als minimaal 30% van de bevolking een stem had uitgebracht. Het halen van dat opkomstpercentage bleek nog behoorlijk lastig te zijn.

3. Beter ontsluiten van gemeentelijke informatie

De gemeente is de overheid die het dichtst bij de burgers staat. Toch weten veel mensen niet wat deze overheid doet. Om de burgers meer te betrekken bij het werk van de gemeente worden er initiatieven genomen om vanuit de gemeente meer actie naar burgers te ondernemen. Bijvoorbeeld: het beter toegankelijk maken van gemeentelijke informatie, meer inzicht geven in de financiële aspecten van de gemeenten.

4. Meer participatie van de burgers

Dat kan op tal van manieren. Meer beleid ontwikkelen met behulp van interactieve beleidsvorming. Op andere plaatsen wordt geëxperimenteerd met stads- of burgerpanels. Zo’n panel bestaat uit burgers die bijvoorbeeld gevraagd worden om te reageren op concrete beleidsvoorstellen, om mee te denken over een toekomstvisie of om voorzieningen te evalueren. Weer een andere manier om de burgers meer te betrekken bij het gemeentebestuur is de zogenaamde wijkaanpak. Alle beleidsmaatregelen worden op wijkniveau op elkaar afgestemd.

Hoofdstuk 11 Functioneel bestuur

11.1 Inleiding

Er worden namelijk veel overheidstaken uitgevoerd buiten het algemeen bestuur. Rijk, provincie en gemeente worden aangeduid met de term algemeen bestuur. Zij dienen uiteraard de algemene belangen. Maar het is ook mogelijk dat een bepaald algemeen belang is ondergebracht in een functioneel bestuur. Een van die organisaties is het waterschap.

Voor de uitvoering van een heleboel andere specifieke overheidstaken zijn organisaties of personen aangewezen, die deze taken tamelijk onafhankelijk kunnen uitvoeren. In sommige gevallen zijn die organisaties hier speciaal voor opgericht, maar het komt ook voor dat een al bestaande organisatie zo’n taak erbij heeft gekregen en uitvoert naast haar andere werkzaamheden.

Bij functioneel bestuur vervaagt het onderscheid tussen een overheidsorganisatie en een gewone organisatie. Functioneel bestuur is mogelijk als voldaan wordt aan deze randvoorwaarden:



  • Moet aanvullend zijn op het algemeen bestuur

  • Moet worden aangetoond dat de taken niet door het algemeen bestuur kunnen worden behartigd.

  • Het functioneel bestuur mag het AB niet hinderen

  • Functionele decentralisatie mag niet bij politiek zeer gevoelige onderwerpen

  • Moet zich houden aan alle bestaande wet – en regelgeving en moet voldoen aan de eisen van doelmatigheid

Het instellen van functionele bestuursorganen heeft echter ook een aantal nadelen en risico’s:

  • Het kan een ondoorzichtig besluitvormingsproces in de hand werken

  • Er ontstaat een versnippering van taken

  • Er kunnen afstemmingsproblemen ontstaan met andere overheden

  • Het kan ertoe leiden dat deze bestuursorganen te sterk alleen hun eigen belangen gaan behartigen.

11.2 De waterschappen

In toenemende mate richten waterschappen zich op zowel het waterkwantiteits – als waterkwaliteitsbeheer. Kwantiteitsbeheer wil zeggen het zorgen voor voldoende aan –en afvoer van oppervlaktewater. Waterkwaliteitsbeheer omvat veelal het zuiveren van afvalwater, uit bedrijfsruimten en woningen, door rioolwaterzuiveringsinstallaties. De juridische basis voor de waterschappen is de Grondwet.



De bestuurders

Het bestuur van een waterschap bestaat uit een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur (heemraden -> leden van DB) en een voorzitten (dijkgraaf). De taken van het AB zijn onder meer het opstellen en goedkeuren van verordeningen en het beslissen over de begroting en de belastingtarieven. De samenstelling van het waterschapsbestuur is wat ingewikkeld. Voor de waterschappen geldt geen algemeen kiesrecht. Dat past niet bij het gehanteerde beginsel: belang-betaling-zeggenschap. Dit beginsel houdt in dat als iemand belang heeft bij de werkzaamheden van een waterschap en hij draagt financieel bij, deze belanghebbende medezeggenschap krijgt. In een waterschap kunnen verschillende categorieën vertegenwoordigers worden opgenomen. De provincie bepaalt welke categorieën er in het bestuur komen:



  • Ingezetenen: iedereen van 18 jaar en ouder die zijn werkelijke woonplaats heeft in het gebied van het waterschap

  • Bedrijven: alle eigenaren van gebouwde onroerende zaken die in gebruik zijn als bedrijfsruimte binnen het waterschapsgebied.

  • Ongebouwd: alle eigenaren van ongebouwde onroerende zaken

  • Natuur: alle eigenaren van natuurterreinen, bossen en open water van meer dan 1 hectare, waarbij het beheer is afgestemd op behoud en ontwikkeling van natuur.

Hoe worden de bestuursleden gekozen? Dat kan op twee manieren: via directe of via indirecte verkiezingen. Bij directe verkiezingen kunnen de betrokkenen zelf hun stem uitbrengen. Bij indirecte verkiezingen worden soms kiesmannen gebruikt.

Politieke partijen speelden lange tijd nauwelijks een rol bij de waterschapsverkiezingen. Dit is veranderd door de wijziging van de Waterschapswet in 2007. Deze wijziging hield in dat niet langer via een personenstelsel maar via een lijstenstelsel wordt gekozen. Bij het personenstelsel stemde de kiezer op een van de individuele kandidaten die in willekeurige volgorde of alfabetisch gesorteerd op een lijst stonden. De personen die de meeste stemmen hadden gekregen, namen plaats in het waterschapsbestuur. Bij een lijstenstelsel kunnen belangengroeperingen en/of politieke partijen zelf lijsten samenstellen met daarop de door hen naar voren geschoven kandidaten. Naarmate er meer stemmen op een lijst worden uitgebracht, komen er meer personen van die lijst in het waterschapsbestuur.

Een waterschapsbestuurder wordt gekozen voor een periode van vier jaar. De leden van het AB kiezen uit hun midden een DB. Alleen de voorzitter van het DB wordt niet gekozen uit het AB. De voorzitter (dijkgraaf/watergraaf) wordt (her)benoemd bij Koninklijk Besluit voor een periode van zes jaar.

Ontwikkelingen bij de waterschappen

Het aantal waterschappen is de laatste decennia sterk teruggebracht. Dat betekent dat de waterschappen zeggenschap krijgen over een steeds groter grondgebied. In de Waterschapswet is geregeld dat de waterschappen door de provincie gecontroleerd moeten worden. Maar de waterschappen worden echter te groot en te machtig voor het provinciaal toezicht. Ook ontbreekt het de provincies vaak aan specifieke deskundigheid om haar toezichtstaken goed uit te kunnen voeren. Dus dreigt een risico dat de waterschappen onvoldoende gecontroleerd worden.



Overige organisaties

Voor de waterschappen speelt de Unie van Waterschappen een belangrijke rol. De Unie van Waterschappen is een vereniging waarvan alle waterschappen in Nederland lid zijn. De Unie treedt op als belangenbehartiger van de aangesloten leden en biedt de waterschappen ondersteuning bij de uitvoering van de werkzaamheden.


1   2   3   4

  • 9.4 Overige organisaties op provinciaal niveau: Interprovinciaal Overleg (IPO)
  • 10.1 Inleiding - 10.2 De gemeentelijke overheid
  • 10.2.2 De gemeentelijke organisatie
  • 10.3 Dualisering bij de gemeente
  • 10.4 Overige organisaties op gemeentelijk niveau
  • 10.5 Ontwikkelingen bij de gemeenten
  • 10.5.1 Herindeling en deelgemeenten
  • 10.5.2 Efficiënter vergaderen
  • 10.5.3 Dichter bij de burger

  • Dovnload 127.63 Kb.