Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Profiel van de Nederlandse Overheid H1,2,3(nie 3),4,5

Dovnload 127.63 Kb.

Profiel van de Nederlandse Overheid H1,2,3(nie 3),4,5



Pagina2/4
Datum28.12.2018
Grootte127.63 Kb.

Dovnload 127.63 Kb.
1   2   3   4

5.3.3 Mixed scanning

Deze vorm zou je kunnen beschrijven als een slordig klassiek model of een systematisch incrementeel model. Het gaat om het krijgen van een beeld over richtingen. Wanneer de beleidsmaker de meest veelbelovende richtingen heeft bepaald kan hij besluiten die richtingen nader te bestuderen.



5.4 Nog drie modellen

5.4.1 Niet-beslissen als model

Niet zelden wordt een probleem buiten de besluitvormingsagenda gehouden of wordt besloten een probleem op z’n beloop te laten of op dat moment geen beslissing te nemen omdat de middelen niet aanwezig zijn, de beslissing op dat moment niet uitvoerbaar is of men terugschrikt voor eventuele weerstand.



5.4.2 De vuilnisbak

De beste uitleg is waarschijnlijk te stellen dat bij dit model de oplossingen al voorhanden zijn, maar dat het probleem er nog bij moet worden gezocht.



5.4.3 Crisisbesluitvorming

Er is sprake van een crisissituatie wanneer er:



  • Een ernstige bedreiging is

  • Weinig tijd beschikbaar is: de beslissers continu onder tijdsdruk staan

  • Grote onzekerheid is

Crisisbesluitvorming kenmerkt zich meestal door de snelheid waarmee beslissingen moeten worden genomen. In een crisissituatie wordt bijvoorbeeld de besluitvorming vaak in één gelegd, in plaats van (normaal gesproken) in de handen van velen.

5.5 Tot slot: soorten beslissingen

  • Procedurele en materiële beslissingen

Bij procedurele beslissingen worden besluiten genomen over de te volgen procedure. Materiële beslissingen hebben direct betrekking op de inhoud van bepaalde onderwerpen

  • Strategische en tactische beslissingen

Strategische beslissingen hebben meestal betrekking op een langere termijn. Tactische beslissingen hebben betrekking op een kortere termijn en zijn concreter.

Routinematige beslissingen zijn beslissingen die met regelmaat in de organisatie terugkomen. Bij complexe beslissingen spelen meerdere actoren een rol, is er onzekerheid over de precieze aard en omvang van een probleem, kun je het probleem moeilijk loskoppelen van andere problemen en is er vaak te weinig goede informatie.

  • ‘Gewone’ beslissingen en crisisbeslissingen

Gewone of dagelijkse beslissingen worden genomen vanuit een stabiele situatie.

  • Algemene en individuele beslissingen

Een algemene beslissing geldt voor iedereen of voor een grote groep personen. Een individuele beslissing geldt voor één persoon.

Hoofdstuk 8 De centrale overheid



8.1 Inleiding

Twee werelden: de politieke en de ambtelijke wereld. Zwart-wit gesteld kun je zeggen dat de politiek de besluiten neemt en dat de ambtenaren de besluiten voorbereiden en uitvoeren. In de praktijk loopt dat overigens nogal in elkaar over.



8.2 De Staten-Generaal

Het parlement -> Eerste + Tweede Kamer -> Staten-Generaal. Zij vertegenwoordigen namelijk de inwoners van Nederland op rijksniveau en heeft een aantal belangrijke taken.



8.2.1 De Tweede Kamer

Elke vier jaar worden de 150 leden van de Tweede Kamer rechtstreeks gekozen door de inwoners van ons land van achttien jaar en ouder. De politieke partijen bepalen welke personen als Kamerlid verkiesbaar zijn. De Kamer regelt haar eigen werkzaamheden in een Reglement van Orde. De regering en de Staten-Generaal zijn samen bevoegd om wetten uit te vaardigen:



  • recht van initiatief: wetsvoorstellen indienen

  • recht van amendement: zij kan voorstellen voor wetswijzigingen indienen.

Een wetsvoorstel doorloopt globaal gesproken de volgende procedure: eerst wordt een wetsontwerp ingediend; bij de meeste wetsontwerpen (ca.95%) gebeurt dat door de regering. Een eerste versie wordt dan op een van de departementen geschreven. Dit ontwerp wordt besproken in de ministerraad en vervolgens wordt de Raad van State om advies gevraagd. Daarna komt een wetsvoorstel bij het parlement terecht. Hier volgt een behandeling in een aantal ronden. Vaak is er eerst een schriftelijke vragenronde, vervolgens wordt het wetsvoorstel besproken in een of meer Kamercommissies en ten slotte volgt de behandeling in de plenaire vergadering van de Kamer. Is de Tweede Kamer akkoord, dan wordt het wetsvoorstel doorgestuurd naar de Eerste Kamer. Naast deze wetgevende taken heeft de Kamer tot taak de regering te controleren. Ze hebben hier een viertal middelen voor:

1. Het vragenrecht

Ieder Kamerlid mag vragen stellen aan een minister (of staatssecretaris)

2. Het recht van interpellatie

Als een meerderheid het hiermee eens is, kan een minister naar de Kamer geroepen worden om verantwoording af te leggen. Motie: een motie is een schriftelijk verzoek van Kamerleden aan een minister (of staatssecretaris) om iets te doen of juist om iets na te laten.

3. Het enquêterecht

De Tweede Kamer kan besluiten tot een parlementaire enquête. Daartoe benoemt de Kamer uit haar midden een commissie die de opdracht krijgt een specifiek onderzoek uit te voeren.

Naast een parlementaire enquête kan de Kamer ook een parlementaire commissie in het leven roepen. Ook deze bestaat uit Kamerleden. De commissie heeft echter minder vergaande bevoegdheden. Zo vinden geen verhoren onder ede plaats.

4. Het budgetrecht

Alle begrotingen van de ministeries worden aan de Kamers aangeboden in de vorm van een wet. Aangezien de Kamers medewetgever zijn moeten zij deze wetten eerst goedkeuren voordat zij van kracht kunnen worden.

Voor het uitoefenen van haar taken beschikt de Tweede Kamer over een aantal ondersteunende diensten (fig. 8.1 blz 149). Alle politieke partijen hebben daarnaast medewerkers in dienst ter ondersteuning van de Kamerleden. De Tweede Kamer kent drie vormen van onderzoek:

1. De Kamer kan onderzoek uitbesteden aan organisaties of instellingen buiten de Kamer (bijv. Algemene Rekenkamer, het Sociaal en Cultureel Planbureau)

2. De Kamer kan onderzoek laten uitvoeren door medewerkers van de Kamer (bijv. door BOR)

3. De Kamer kan besluiten tot een onderzoek door Kamerleden zelf en hiervoor een parlementaire enquêtecommissie instellen of een parlementaire onderzoekscommissie.



8.2.2 De Eerste Kamer

De leden van de Eerste Kamer zijn de leden van de Provinciale Staten. Die elke vier jaar de 75 leden van deze Kamer kiezen. Deze wijze van kiezen wordt ‘indirect’ of ‘getrapt’ genoemd. De functie van de Eerste Kamer is er vooral een van heroverwegen. -> chambre de reflection. Zij bekijkt of de door de Tweede Kamer genomen besluiten wel goed in elkaar zitten. Het is de bedoeling dat bij deze laatste belangenafweging partijpolitieke zaken minder op de voorgrond treden. Het lidmaatschap van de Eerste Kamer is geen fulltime baan. Eerste Kamerleden hebben vaak naast het Kamerlidmaatschap ook andere maatschappelijke functies. De taken van de Eerste Kamer komen sterk overeen met die van de Tweede Kamer. Een wetsvoorstel wordt naar de Eerste Kamer gezonden, direct nadat het door de Tweede Kamer is aangenomen. Eerst wordt in een commissie van de Eerste Kamer bepaald of het wetsvoorstel direct op de agenda van deze Kamer kan worden gezet of dat er een voorbereidend onderzoek moet plaatsvinden. Tijdens zo’n voorbereidend onderzoek geven de fracties schriftelijk commentaar op het voorstel en stellen vragen. De regering geeft daar dan vervolgens, in een nota of een memorie van antwoord, een reactie op. Een belangrijk verschil is echter het ontbreken van het recht van initiatief en het recht van amendement. De Eerste Kamer mag een wetsvoorstel wel goed- of afkeuren, maar mag geen voorstellen tot wijziging inbrengen.



8.3 De regering

De regering bestaat enerzijds uit de koning(in) en anderzijds uit ministers. Een minister is een politicus. De ministers worden niet rechtstreeks door de bevolking gekozen maar naar voren geschoven door hun politieke partij. De minister is politiek verantwoordelijk voor zijn of haar departement. De minister vormen samen de ministerraad. De voorzitter van de ministerraad is de minister-president. De ministerraad bespreekt en besluit over het algemene regeringsbeleid. Het kabinet, in het kabinet hebben naast de ministers ook de staatssecretarissen zitting. Een staatssecretaris is, net als de minister een politicus die leiding geeft aan (een deel van) een departement. Vaak behandelt een staatssecretaris een of meer specifieke onderwerpen (bijvoorbeeld financiën of buitenlandse handel). Formeel is de staatssecretaris ondergeschikt aan de minister. Naast staatssecretarissen kennen we ook ministers zonder portefeuille (dus: een minister zonder eigen departement). Een minister zonder portefeuille heeft, in tegenstelling tot de staatssecretaris, wel zitting in de minsterraad. Onze regering heeft belangrijke taken. Zo treedt zij op als (mede)wetgever en als bestuurder. Zij bepaalt en concretiseert het overheidsbeleid. Hoe komen we aan een regering? Na de verkiezingen voor de Tweede Kamer vindt er een aantal besprekingen plaats. Allereerst ontvangt het staatshoofd tal van voorzitters. Op basis van de adviezen die het staatshoofd van deze voorzitters krijgt, wijst zij een informateur of een formateur aan. Als de situatie heel onduidelijk en complex is gaat eerst een informateur aan het werk. Deze informateur onderzoekt welke mogelijke samenwerkingsverbanden tot stand gebracht kunnen worden. Als de situatie duidelijk is, wordt een formateur aangewezen die een nieuw kabinet gaat samenstellen. Daarnaast wordt ook een regeerakkoord opgesteld, waarin wordt vastgelegd welke zaken in het kabinet prioriteit krijgen en hoe omgegaan wordt met politiek gevoelige kwesties. Tijdens de kabinetsformatie wordt ook vastgesteld hoeveel ministers en staatssecretarissen er komen, hoe die over de deelnemende politieke partijen verdeeld zijn en welke personen deze posten zullen gaan bezetten. Bij elke kabinetsformatie wordt opnieuw bekeken hoe de portefeuilles van de verschillende ministers en staatsecretarissen er uit komen te zien. Het samenstellen van een nieuw kabinet na de verkiezingen kan maanden duren. Om die reden blijft het oude kabinet doorgaans demissionair aan. Dit demissionaire kabinet handelt de lopende zaken verder af tot er een nieuw kabinet is. Een kabinet kan trouwens ook al voor de verkiezingen demissionair zijn, namelijk als alle ministers na een kabinetscrisis hun ontslag hebben aangeboden. De term rompkabinet wordt gebruikt voor een kabinet waar een of meer coalitiepartners zijn uitgestapt. Een rompkabinet mag wel controversiële zaken behandelen maar moet dan per onderwerp zorgen voor een meerderheid in de Kamer. De term zakenkabinet wordt gebruikt wanneer een kabinet voor een groot deel of zelfs helemaal uit ministers van buiten de politiek

8.4 Departementen

Er is weinig horizontale communicatie tussen de afzonderlijke departementen. Dit verschijnsel wordt aangeduid met het begrip verkokering. Daarom wordt de roep om geïntegreerde beleidvorming, dat wil zeggen vanuit de beleidsproblemen bezien samenwerken tussen de verschillende ministeries steeds luider. Een andere manier om iets aan de verkokering te doen is het aanwijzen van coördinerende bewindspersonen of programmaministers.


Opbouw van departementen

In de praktijk lijkt de opbouw van een departement een beetje op een piramide; van boven heel smal en naar onder toe veel breder. Van boven heel smal wil zeggen dat de leiding heel gecentraliseerd is. Boven aan een departement staat de secretaris-generaal (SG). Dit is de hoogste ambtenaar. Boven hem staat de minister, een politicus en eventueel een staatssecretaris. De SG is uiteindelijk eindverantwoordelijk voor alle beleids- en beheerszaken binnen een departement. Hier is sprake van een lijn-staforganisatie. De stafafdelingen staan hier aangegeven met horizontale lijnen. Aan het hoofd van een directoraat-generaal staat de directeur-generaal (DG). Bij de directoraten-generaal valt ook iets te vertellen over de informele organisatie. Formeel staan de DG’s onder de SG. In de praktijk is de positie van de DG’s echter zo stevig, dat er eigenlijk geen sprake is van een hiërarchische verhouding. De SG en DG’s functioneren meestal als team. Deze teams worden ook wel aangeduid met het begrip departementsraad of bestuursraad. De deconcentratie bij de rijksoverheid uit zich in het bestaan van een aantal gedeconcentreerde rijksdiensten.



8.5 Hoge Colleges van Staat

De Hoge Colleges van Staat; deze colleges zijn formeel onafhankelijk van de regering en opereren zelfstandig. Zij hebben echter wel een grote invloed op het regeringsbeleid:



8.5.1 De Raad van State

De Raad van State bestaat, naast de koning(in) als voorzitter, uit een vice-voorzitter (die de dagelijkse leiding heeft) en ten hoogste 28 staatsraden. De staatsraden (leden van de Raad van State) worden voor het leven benoemd door de regering. De Raad van State brengt adviezen uit op het terrein van de wetgeving en bestuur (gevraagd en ongevraagd). De Raad van State beoordeelt de wetsvoorstellen vooral op juridisch-technisch criteria. De adviezen van de Raad van State zijn tussen de andere Kamerstukken snel terug te vinden omdat ze namelijk op blauw papier worden gedrukt. Binnen de Raad van State is ook een afdeling Bestuursrechtspraak actief. Deze afdeling is belast met de behandeling van haar bij de wet opgedragen geschillen.



8.5.2 De Algemene Rekenkamer

De Algemene Rekenkamer heeft vooral een controlerende functie. Zij richt zich daarbij specifiek op de controle van de uitgaven en ontvangsten. De Rekenkamer bepaalt zelf wat ze onderzoekt, hoe het onderzoek eruit gaat zien en wat zij uiteindelijk openbaar zal maken. Het doel van het door de Rekenkamer uitgevoerde onderzoek is: ‘het rechtmatig, doelmatig, doeltreffend en integer functioneren van het Rijk en de daarmee verbonden organen te toetsen en te verbeteren’. De onderzochte overheden zijn niet verplicht iets te doen met de uitkomsten van het onderzoek van de Rekenkamer. De Rekenkamer kan ook geen sancties opleggen. De Rekenkamer heeft haar onderzoeksactiviteiten geclusterd in twee onderzoekspijlers: het functioneren van de overheid en het presteren van de overheid. Centraal hierbij staan de volgende vier criteria

1. Transparantie

2. Publieke verantwoording

3. Effectiviteit en efficiency

4. Vraaggerichtheid



8.5.3 De Hoge Raad

De Hoge Raad is het hoogste rechtscollege dat wij kennen in Nederland. De leden van de Hoge Raad worden voor het leven benoemd bij Koninklijk Besluit. De Hoge Raad der Nederlanden, behandelt zaken als partijen daar na een uitspraak in hoger beroep om vragen. De Hoge Raad beoordeelt bij een cassatiezaak niet meer de zogenoemde feiten, maar kijkt alleen of het recht juist is toegepast. De Hoge Raad kent vier zogenoemde kamers: de Civiele kamer, de Strafkamer, de Belastingkamer, en de Ombudskamer.



8.5.4 De Nationale Ombudsman

De Nationale ombudsman is in het leven geroepen om ons systeem van rechtsbescherming sluitend te maken. Dit houdt in dat je een beroep kunt doen op het bureau van de Nationale ombudsman als er geen mogelijkheid is om beroep aan te tekenen bij een overheidsinstantie. Je kunt op twee manieren gebruikmaken van de Nationale ombudsman:

1. Je wilt beroep aantekenen, maar je weet niet of dat mogelijk is en bij welke instantie dat moet. De ombudsman heeft dan een belangrijke doorverwijs- en doorstuurfunctie. Hij gaat na of in beroep gaan mogelijk is en stuurt in dat geval een brief naar de juiste instantie.

2. Er is geen enkele instantie waar je met jouw klacht over het handelen van een overheid terecht komt. Als dat het geval is, kijkt de Nationale ombudsman of hij er zelf iets mee kan doen. Hij kijkt of de overheid onbehoorlijk is opgetreden.

Opvallend is dat de ombudsman wordt benoemd door de Tweede Kamer. Hiermee wordt benadrukt dat hij onafhankelijk van de uitvoerende macht moet opereren. Bij de verschillende onderzoeken die de ombudsman uitvoert, wordt steeds gekeken of de overheid zich wel behoorlijk heeft gedragen. Wat de ombudsman onder behoorlijk verstaat is uitgewerkt in een lijst met behoorlijkheidsvereisten. Deze vallen uiteen in een viertal clusters:


  • Grondrechten: discriminatieverbod, brief – of telefoongeheim, huisrecht, privacyrecht, verbod op onrechtmatige vrijheidsontneming etc.

  • Materiële behoorlijkheid: hieronder vallen de vereisten van het verbod van misbruik bevoegdheid, redelijkheid, evenredigheid, coulance, rechtszekerheid en gelijkheid.

  • Formele behoorlijkheid: de vereisten van onpartijdigheid, hoor en wederhoor, motivering en fair play

  • Zorgvuldigheid: hieronder vallen de vereisten van voortvarendheid, administratieve nauwkeurigheid, actieve en adequate informatieverstrekking, actieve en adequate informatieverwerving, adequate organisatorische voorzieningen, correcte bejegening, professionaliteit en bijzondere zorg.

8.6 Adviesraden

Dit zijn commissies die tot taak hebben een overheidsinstantie van advies te dienen en waarvan ook anderen dan de leden van een beleidsbepalende instantie deel uitmaken. Onderverdeling is soorten adviesorganen:

1. de opdrachtgever

2. intern en extern: interne adviesorganen zijn gericht op d eigen overheidsorganisaties zoals een gemeentelijke commissie.

3. permanente en ad-hoc/tijdelijke

We kunnen een aantal factoren onderscheiden die een rol spelen bij de invloed van adviesorganen:



  • Het gezag van het adviesorgaan

  • De wil en houding van de adviesvragende instantie

Hoofdstuk 9 Decentrale overheden: de provincie



9.1 Inleiding

De decentralisatiegedachte houdt in dat het bestuur niet vanuit een centraal punt, maar door plaatselijk of functioneel belanghebbenden onder eigen verantwoordelijkheid en met eigen onafhankelijke bestuursorganen wordt gevoerd.



9.2 De provinciale overheid

Taken provincie: het regelen en besturen van de eigen huishouding, het uitvoeren van medebewindstaken van de rijksoverheid en het toezicht op gemeenten en waterschappen.



9.2.1 De bestuurders

De stemgerechtigde inwoners uit een bepaalde provincie kiezen rechtstreeks, een in de vier jaar, hun vertegenwoordigers in de Provinciale Staten. Verkiesbaar zijn in principe alle inwoners van de provincie die het passief kiesrecht hebben en die kandidaat gesteld zijn door een politieke partij. De Provinciale Staten vormen het hoogste (politieke) orgaan van de provincies. De verschillende provinciale commissies:



De Statencommissies

Het is aan de Provinciale Staten om te bepalen welke commissies er komen, welke leden erin zitten en welke taken en bevoegdheden ze krijgen. Gedeputeerden mogen geen zitting nemen in zo’n commissie, maar niet-statenleden wel. De statencommissies hebben twee wettelijke taken: het voorbereiden van de besluitvorming van de Provinciale Staten en het voeren van overleg met Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koning(in).



Bestuurscommissies

Statenleden mogen geen lid zijn van een bestuurscommissie van Gedeputeerde Staten en gedeputeerden niet van een commissie van Provinciale Staten.


De statenleden benoemen het college van Gedeputeerde Staten (GS), het dagelijks bestuur van de provincie. GS zou je kunnen vergelijken met de ministerraad of het college van B&W. De voorzitter van het college van GS is de Commissaris van de Koning(in). De Commissaris van de Koning(in) wordt door de Kroon benoemt (en eventueel hernoemd) voor een periode van zes jaar. De formele taken:

  • Het bevorderen van de samenwerking tussen de in de provincie werkzame rijksambtenaren onderling en met het provinciaal bestuur, de gemeentebesturen en de waterschapsbesturen

  • Het regelmatig bezoeken van de gemeenten in de provincie

  • Het uitbrengen van adviezen aan de regering

  • Het vertegenwoordigen van de provincie

De commissaris treedt meer op de voorgrond als er zich in de provincie ernstige ongevallen of rampen voordoen. De commissaris verzorgt dan een deel van de coördinatie tussen alle verschillende betrokken overheden. Verder speelt de commissaris een rol bij de burgemeester benoemingen. Vaak selecteert de commissaris de potentiële kandidaten.

9.2.2 De provinciale organisatie

Bij de provincie is een verschuiving waar te nemen van een traditionele organisatie naar een diensten – of departementale organisatie. (blz 170).



Het traditionele model

In de provinciale organisatie zijn traditioneel drie onderdelen te onderscheiden: de griffie, Provinciale Waterstaat en de Provinciale Planologische Dienst.



  • Provinciale Waterstaat (PW). Is belast met de voorbereiding en uitvoering van projecten op het gebied van de droge waterstaat (aanleg van wegen), de natte waterstaat (beheer van wateren, aanleg en onderhoud van dijken en kanalen) en het onderhoud en beheer van provinciale werken en eigendommen. In de loop van de jaren heeft het takenpakket zich uitgebreid. Zo kwamen ook de meer technische milieuaangelegenheden (waterzuivering en geluidsmetingen) onder PW te vallen.

  • De Provinciale Planologische Dienst (PDD). Zij vormt een belangrijke planningsschakel tussen de rijksoverheid en de gemeentelijke overheid. De provincie ontwerpt streekplannen en beoordeelt de gemeentelijke bestemmingsplannen.

  • De provinciale griffie. Aan het hoofd van de griffie staat de griffier. Deze griffier is tevens secretaris van zowel Provinciale als Gedeputeerde Staten. De griffier is verantwoordelijk voor de voorbereiding en uitvoering van besluiten van het provinciaal bestuur. De griffie zelf is belast met het coördineren van provinciale activiteiten, juridische procedures, vergunningverlening en planning. De terreinen waarop deze werkzaamheden betrekking hebben lopen uiteen:

  • De oude provinciale taken: ruimtelijke ordening en waterstaat

  • De nieuwe provinciale taken als welzijn, emancipatie, cultuur, natuur en milieu

  • Enkele functionele taken als financiën, personeel, interne zaken en voorlichting

Het departementale of dienstenmodel

Vanaf de jaren zeventig verandert er veel voor de provincies. Het aantal wettelijke taken voor de provincie neemt toe. De provincie neemt een belangrijke plaats in als het gaat om planning. Ook het aantal autonome taken neemt toe. Verder verandert de visie op de provincie, voor veel mensen is het niet zo duidelijk wat de provincie nu precies doet. Dit leidt tot een geringe belangstelling voor de provincie. Sinds de jaren zeventig zijn de provincies aan het reorganiseren, maar een ideaal provinciaal model bestaat niet. Je ziet dat veel provincies, elk op een eigen manier, iets proberen te doen tegen de belangrijkste nadelen van het traditionele model.

1. De communicatielijnen tussen de bestuurders en het ambtelijk apparaat zijn te lang.

2. Ook binnen een dienst zijn de communicatielijnen te lang. De provincies willen in het algemeen terug naar ongeveer drie hiërarchische lagen.

3. Technische en juridische ambtenaren werken niet of nauwelijks samen

Om aan die bezwaren tegemoet te komen, ontwikkelden de provincies een model dat bekendstaat als het departementale model of dienstenmodel.



Griffie

De griffier blijft aan het hoofd van de griffie. De griffie is alleen veel kleiner geworden. Sinds het dualisme is ingevoerd heet de griffie, provinciesecretarie. (blz 173)



Diensten

Per beleidsterrein of beleidssector komt een dienst, waar juridische en inhoudelijke kennis zijn samengebracht.

De indeling van de provinciale organisatie lijkt in dit model veel meer op die van de rijksoverheid met haar departementen. Vandaar de naam departementaal model.

1   2   3   4

  • 5.4 Nog drie modellen 5.4.1 Niet-beslissen als model
  • 5.4.3 Crisisbesluitvorming
  • 5.5 Tot slot: soorten beslissingen
  • 8.5 Hoge Colleges van Staat
  • 8.5.2 De Algemene Rekenkamer
  • 8.5.4 De Nationale Ombudsman
  • 9.2 De provinciale overheid
  • 9.2.2 De provinciale organisatie

  • Dovnload 127.63 Kb.