Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Profiel van de Nederlandse Overheid H1,2,3(nie 3),4,5

Dovnload 127.63 Kb.

Profiel van de Nederlandse Overheid H1,2,3(nie 3),4,5



Pagina1/4
Datum28.12.2018
Grootte127.63 Kb.

Dovnload 127.63 Kb.
  1   2   3   4

Profiel van de Nederlandse Overheid

H1,2,3(niet3.3),4,5,8,9,10,11

Leren door doen -> artikel bb


Hoofdstuk 1 Introductie

De overheid is overal. In de letterlijke betekenis van bestuurskunde staat dan ook de invalshoek van het ‘besturen’ centraal. Als in Nederland wordt gesproken over bestuurskunde heeft men het meestal over de discipline die zich bezighoudt met de voorbereiding, de bepaling, de uitvoering en de evaluatie van overheidsbeleid. De overheid zit op zoveel (onverwachte) onderwerpen en plekken, dat je verrassingen nooit kunt uitsluiten. Ten eerste helpt bestuurskunde de overheid effectiever te werk te gaan en ten tweede helpt bestuurskunde om doelgerichter met een overheid om te gaan.


Hoofdstuk 2 Enkele begrippen

2.1 -

2.2 Geschiedenis van bestuur

In feite is er sprake van bestuur sinds er menselijke samenlevingen zijn. Een belangrijk kenmerk van een samenleving is dat er een arbeidsverdeling is. We onderscheiden drie soorten samenlevingen:



Leiderschap op deelgebieden was mogelijk. Voorbeeld: jagerssamenleving

  • Samenlevingen met rangorde

Hier konden machtsposities ontstaan. Iemand die een machtspositie had probeerde deze vast te houden door bijvoorbeeld erfopvolging

  • Samenlevingen met gelaagdheid

Leiderschap en bestaansmiddelen zijn niet voor iedereen toegankelijk. Op deze manier ontstaan er verschillende groepen.

Iets is een staat als het voldoet aan drie criteria

1. er moet sprake zijn van een (afgegrensd) grondgebied

2. het aanwezig zijn van een (geaccepteerd) bestuursgezag

3. er moet een (te onderscheiden) staatsvolk zijn

De drie machten vormen de basis van ons staatbestel. (Montesquieu):

1. De wetgevende macht

2. De uitvoerende macht

3. De rechterlijke macht
1848: gedecentraliseerde eenheidsstaat


Stroming

Kernwoord

Liberalisme

Christendemocratie

Socialisme


Vrijheidsbeginsel

Christelijke beginselen

Gelijkheidsbeginsel


Het liberalisme is voor een overheid die zich zo weinig mogelijk met de maatschappij bemoeit. Het socialisme is juist voor een grote overheidsbemoeienis. De christendemocraten zitten hier eigenlijk tussenin.

De verschuiving van het aandachtsveld van de overheid kun je aanduiden met de begrippen codificatie en modificatie. Met codificatie wordt bedoeld dat de overheid eerst de ontwikkelingen in de samenleving volgt en daarna (eenmalig) wetten opstelt die passen bij die ontwikkelingen. In modificatie zit het element “sturing”, de overheid wil continu inspelen op de ontwikkelingen in de samenleving en mogelijk zelfs vooruitlopen op nieuwe ontwikkelingen. De overheid gaat de samenleving dus sturen en schept hiervoor zelf de randvoorwaarden: de verzorgingsstaat ontstaat.

Huis van Thorbecke: het Rijk, de provincie, de gemeenten.

2.3 De overheid

2.3.1 Het begrip ‘overheid’

De overheid bestaat in feite uit een heleboel verschillende overheden



Definitie

Er wordt mee bedoeld dat er niet één overheid is, maar dat de overheid is opgebouwd uit een gecompliceerd geheel van verschillende actoren, met soms tegenstrijdige belangen en doelstellingen. Zij definiëren de overheid als: het geheel van bestuurders en bestuurlijke colleges in een staatsverband en het daarbij horende ambtelijke apparaat.



2.3.2 Kenmerken van de Nederlandse overheid

Structuurkenmerken van de Nederlandse overheid:



  • de onderverdeling in een wetgevende, een uitvoerende en een rechterlijke macht.

  • De gedecentraliseerde eenheidsstaat: dit houdt in dat veel taken en bevoegdheden aan andere overheidsorganen dan de centrale overheid zijn toebedeeld. De centrale (of rijks)overheid staat in voor de eenheid.

Bestuurslagen

Wanneer provincies en gemeenten een bepaald gebied besturen, hebben we het over territoriale decentralisatie. Functionele decentralisatie (bv waterschap): overheidsorgaan dat is ingesteld ter behartiging van een bepaald doel. Het Rijk draagt zorg voor de taken die niet aan de lagere overheden kunnen worden toebedeeld. De provincie heeft in de taakverdeling vooral een coördinerende taak. De gemeenten doen vooral het uitvoerende werk.

Autonomie: de gemeenten en provincies hebben een “eigen huishouding”, dat wil zeggen dat zij exclusieve taken en bevoegdheden hebben waar de andere overheden, binnen zekere grenzen, zich niet mee mogen bemoeien. Medebewind heeft betrekking op het uitvoeren van rijkstaken.

Decentralisatie en deconcentratie

Deconcentratie is het zich fysiek over een land verspreiden van een overheid. Het belangrijke verschil tussen decentralisatie en deconcentratie is dat er bij deconcentratie geen overdracht van taken en bevoegdheden plaatsheeft. Het zijn als het ware ‘filialen’ van een ministerie.

Wat zijn de motieven voor deconcentratie?

1. De communicatie met ‘Den Haag’ verbeteren, de gedeconcentreerde diensten staan dichter bij wat er in het land gebeurt en hebben dan ook een oog-en oorfunctie voor de minister

2. Meer grip krijgen op regionale zaken door er fysiek dichterbij te gaan zitten.

3. Een compromis tussen behoefte aan decentralisatie in de regio en een behoefte van het Rijk om de touwtjes in handen te houden. In het algemeen komen de volgende vormen van deconcentratie voor:

* inspecties: onderwijsinspectie, de taken van inspecties zijn meestal wettelijk vastgelegd en hebben veelal betrekking op toezicht, controle en coördinatie.

* directie: regionale directies Rijkswaterstaat, de taken van directies zijn meer technisch uitvoerend van aard.

* consulentschappen: de taken van consulentschappen hebben vooral betrekking op voorlichting en advisering.

2.4 Het begrip ‘algemeen belang’

Als we abstract formuleren dan kunnen we zeggen dat de hoofdtaak van de overheid is het behartigen van het algemeen belang. We kunnen stellen dat er niet zoiets bestaat als één algemeen belang, maar dat er sprake is van een grote hoeveelheid zeer uiteenlopende deelbelangen. Elke overheid moet bij ‘het behartigen van het algemeen belang’ dan ook kiezen uit deelbelangen. Het verschijnsel dat individuele actoren eigen doelstellingen nastreven, die in strijd kunnen zijn met de beleids- of organisatiedoelstellingen, wordt wel met het begrip ‘bureaupolitiek’ aangeduid.

Nederland -> poldermodel: aan alle deelbelangen tegenmoet komen, compromissen sluiten.

2.5 Het begrip ‘beleid’

Beleid wordt in verschillende betekenissen gebruikt. Twee betekenissen:

1. Beleid is een plan

2. Beleid is alles wat een overheid doet

Een plan is een stelsel van doelen en middelen. De boodschap van de tweede omschrijving is dus: geen beleid (als plan) is ook beleid (alles wat een overheid doet).
Hoofdstuk 3 De overheid als systeem

3.1 Inleiding

De media vormen een belangrijke informatiebron voor onze volksvertegenwoordigers. Systeembenadering: de totstandkoming van een beleid weergeven als een systeem. Een model is een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid. Een aanvullende benadering is de procesanalyse.



3.2 De systeembenadering

3.2.1 Het model

In elke wetenschap wordt gewerkt met systematische benaderingen. Dit is een toegevoegde waarde aan het systeemdenken: als veel mensen vanuit verschillende vakgebieden hebben leren werken met systemen, dan kan die manier van denken dienen als een communicatiemiddel tussen de verschillende wetenschappen. Het systeemmodel is namelijk afgeleid van modellen die in de biologie worden gebruikt.

1. Invoer

Input, deze invoer bestaat uit ‘eisen’ (demands) en ‘steun’ (support).

2. Uitvoer

output, 2 soorten: de eerste is de gezaghebbende uitvoer -> bv een wet of maatregel, de tweede is de niet-gezaghebbende uitvoer -> bv een interview of tijdschriftartikel. In het politieke systeemmodel, van Easton, gaat het in deze fase alleen om wat hier de gezaghebbende uitvoer wordt genoemd. De uitvoer mondt uit in ‘effecten’ (outcomes), je hebt dan gewenste en ongewenste effecten.

3. Doorvoer

In het midden van het systeem wordt de invoer in uitvoer omgezet. Dit is de omzettingsfase, throughput/doorvoer. Black box: het is niet goed bekend hoe de invoer nu precies in uitvoer wordt omgezet. De systeemtheorie geeft namelijk geen antwoord op de vraag hoe beleid tot stand komt.



3.2.2 Het werkmodel

Het werkmodel is een vereenvoudigd model waarin alle elementen zijn te herkennen. (blz 49)



3.2.3 Het nut van het systeemmodel

Allereerst is het gebruik van het systeemmodel een hulpmiddel om te begrijpen hoe een beleid (beleid is hier de output van het systeem) tot stand komt. Ten tweede maakt het model duidelijk dat beleid niet in een vacuüm tot stand komt, maar dat er een duidelijke relatie is met de omgeving. Deze relatie wordt nog benadrukt door de feedback, ofwel terugkoppeling. Ten derde wordt duidelijk dat de totstandkoming van een beleid niet statisch maar dynamisch is. Hiermee wordt bedoeld dat er een voortdurende doorstroming is van informatie (invoer), waardoor de omzetting en daardoor de uitvoer voortdurend veranderen. Ten vierde brengt het systeem de relatie tussen de politiek en het tot stand komen van beleid in beeld. Ten vijfde kan het systeemmodel duidelijk maken dat lang niet alle eisen worden omgezet. Dit verschijnsel wordt aangeduid met het begrip ‘non-decision’. Ten slotte kan de inbreng van een bepaalde actor in een beleid worden gekarakteriseerd. Concreter: met behulp van dit model kun je van een krantenbericht zeggen of het tot de invoer -, omzettings -, of uitvoerfase behoort.



3.2.4 Systemen zijn met elkaar verbonden

De uitvoer van het ene systeem is meestal dan ook de invoer van een volgend systeem.



3.2.5 Vereenvoudiging of indikking

Systematiseren houdt vaak in: vereenvoudiging. Blz 52: het volledige systeemmodel. De actoren die de informatie indikken worden ook wel aangeduid met het begrip ‘poortwachters’ (gatekeepers). Zij ‘bewaken’ als het ware het politieke systeem. De poortwachters maken een selectie van de vraagstukken waarover moet worden beslist.



3.2.6 Het veldproces is een keuzeproces

Het beleid van een overheid is een input voor de doelgroep of doelactoren. Veldproces: hoe de praktijk werkt, zodat de overheid op ene goede manier haar beleid daarop kan baseren. Het veldproces kunnen we het beste omschrijven als een plattegrond van de praktijksituatie.



3.2.7 De omgeving: de contingentie- en de interorganisatietheorie

De contingentietheorie: organisaties (systemen) passen zich aan, aan hun omgeving. Contingentie betekent zoiets als ‘afhankelijkheid’. Het sleutelbegrip hier is congruentie (afstemming). Wat de contingentietheorie niet verwoordt, is dat systemen ook hun omgeving kunnen beïnvloeden. Een tweede theorie is de interorganisatietheorie, ofwel de netwerktheorie. Inter-organisatie, wil zeggen tussen organisaties. Intra-organisaties: binnen een organisatie. Een netwerk bestaat uit iedereen, dus alle actoren, die betrokken is bij een bepaald vraagstuk. Dit kan zowel actieve als passieve betrokkenheid zijn. Bij de interorganisatietheorie wordt gesteld dat organisaties zich bevinden in een netwerk. Het hoofdkenmerk van dit netwerk in onderlinge afhankelijkheid. De macht die elke actor heeft, bepaalt de aard van de relatie. De netwerkgedachte komt in feite neer op het idee dat alle actoren betrokken zijn bij een ‘beleidsspel’, een proces van wederzijdse beïnvloeding en onderlinge afhankelijkheid op grond van onderlinge relaties en machtsbases. Als dit spel zich vooral afspeelt in de politiek -> politieke arena. De parallel met de arena’s uit de Romeinse tijd kun je je wel voorstellen. Deze parallel maakt iets belangrijks zichtbaar:



  • hoe het spel wordt gespeeld

  • wie en hoeveel mensen je aan je zijde kunt krijgen om mee te strijden

  • het recht van de sterkste

3.3 NIET
Hoofdstuk 4 Beleid in fasen

4.1 Inleiding

Plan: een stelsel van voornemens of maatregelen ontworpen om een bepaald doel te bereiken.



4.2 Agendering

De agenda: de overheid moet beslissen of zij er aandacht aan wil besteden. Het al dan niet bewust agenderen van een bepaald onderwerp heeft in de bestuurskunde een naam: non-decision.



4.2.1 De maatschappelijke agenda

De maatschappelijke agenda kun je omschrijven als datgene waarvan groepen en organisaties in de maatschappij willen dat erover wordt gepraat en besloten. Deze agenda wordt gevormd door de behoeften, zoals ze door de ‘mensen’ en de ‘groepen’ naar voren worden gebracht. Er vindt een selectie plaats van de vraagstukken waarover wordt gepraat. Het de ‘groepen’ die alles wat in de maatschappij leeft indikken en formuleren. De massamedia spelen hierbij een belangrijke rol. Dit indikken en formuleren kun je weergeven als een ‘black box’ in een input/outputmodel. De politieke agenda: we hebben het dan over de behoeften, zoals ze worden geformuleerd door de politieke instellingen. Ook hier vinden indikking en formulering plaats. Hierbij speelt ook het ambtenarenapparaat een belangrijke rol. Ambtenaren kunnen ook rechtstreeks proberen de politieke agenda te beïnvloeden. De politieke agenda kun je omschrijven als datgene waar de politieke partijen en instellingen over willen praten of beslissen.



4.3 Beleidsvorming

4.3.1 Beleidsvoorbereiding

Beleidsvorming is het geheel van beleidsvoorbereiding en beleidsbepaling. Beleidsvoorbereiding is het verzamelen van gegevens en informatie voor het maken van beleid.



4.3.2 Beleidsbepaling

Bij beleidsbepaling gaat het om het nemen van beslissingen over de inhoud van een beleid. Agendering heeft dus een formeel karakter. Beleidsbepaling heeft ook een materieel karakter. Beleidsbepaling bestaat uit een lange reeks van keuzes, vaak genomen door heel verschillende actoren, waarbij elk van die keuzes een deel van de inhoud van het beleid vastlegt.



4.3.3 Beperkingen

In feite is de kunst van het beleidsbepalen ‘het reduceren van de beperkingen’. De volgende beperkingen kunnen een rol spelen:

1. Beperkingen die voortvloeien uit eerder vastgestelde doelstellingen

2. Beperkingen die voortvloeien uit beleid of regelgeving vanuit de Europese Unie

3. Beperkingen die voortvloeien uit het beleid van hogere instanties.

Lagere overheden zijn vaak erg gebonden aan het beleid van hogere overheden. Daarnaast is er vaak financiële afhankelijkheid.

4. Beperkingen die voortvloeien uit het beleid van nevengestelde organisaties

5. Beperkingen op het vlak van de beschikbare middelen

Hierbij moet je in de eerste plaats denken aan geld en in de tweede plaats aan kennis en kwaliteit van het ambtelijke apparaat.

6. Beperkingen ten aanzien van het draagvlak

Het begrip draagvlak omvat twee elementen:


  • geloofwaardigheid

  • legitimiteit

Het begrip geloofwaardigheid drukt uit dat het overheidsbeleid overtuigingskracht moet hebben. Het begrip legitimiteit drukt uit dat er grenzen zijn aan het optreden van de overheid. Om draagvlak te vergroten moet een overheid niet alleen goed waarnemen en luisteren, maar ook haar beleid afstemmen op wat zij waarneemt.

7. Andere beperkingen

Denk aan: de achterban van politici, massamedia

4.4 Beleidsuitvoering

Het proces van beleidsbepaling heeft als uitkomst dat er een beleid is, een plan of een beleidsprogramma. Beleidsuitvoering is het toepassen van de middelen van een beleid. Beleidsuitvoering mondt uit in beleidsprestaties.

Uitvoeren van beleid kan bijvoorbeeld inhouden: het verlenen van vergunningen, het aanleggen van een weg, het inrichten van een theater of het verstrekken van uitkeringen.

Beleidsuitvoering is een ingewikkeld proces. Al is het maar omdat je allerlei zaken kunt tegenkomen waar je van tevoren niet aan hebt gedacht. Van de uitvoering van een beleid hangt af of dat beleid slaagt. De verschillende factoren die van zijn invloed zijn op de uitvoering van een beleid:



  • het beleidsprogramma

  • de uitvoerende organisatie

  • het beleidsveld

4.4.1 Het beleidsprogramma

Beleidsvrijheid

Een heel belangrijke factor is de mate van beleidsvrijheid (discretionaire bevoegdheid) die de beleidsuitvoerders krijgen toebedeeld in het beleidsprogramma. Beleidsvrijheid houdt in dat je, als beleidsuitvoerder, de ruimte krijgt om het beleid aan je eigen behoefte aan te passen. De mate van beleidsvrijheid is dus de eerste factor die van invloed is op de uitvoering van een beleid. Als er sprake is van vage begrippen (of vage doelstellingen) is er meestal sprake van veel beleidsvrijheid. Als algemene richtlijn kun je aannemen dat naarmate het werk meer routinematig is, er minder behoefte is aan beleidsvrijheid.



Andere factoren in het beleidsprogramma

Behalve aan beleidsvrijheid zijn er nog meer factoren die van invloed zijn op de beleidsuitvoering:



  • de geformuleerde doelstellingen

  • de middelen (geld, kennis) die voor de uitvoering van een beleid ter beschikking staan

  • de beleidsinstrumenten: de middelen waarmee men de beleidsdoelen wil bereiken.

4.4.2 Kenmerken van de organisatie die het beleid uitvoert

Ook de uitvoerende organisatie zelf beïnvloedt de wijze waarop het beleid wordt uitgevoerd. Daarbij kun je denken aan de volgende factoren:



  • De informatie van de beleidsuitvoerders

  • De doeleinden van de beleidsuitvoerders

  • De laatste factor die we noemen is de macht die beleidsuitvoerders hebben

4.4.3 Kenmerken van het veldproces

De uitvoering van beleid speelt zich af op het grensvlak tussen overheid en omgeving. Het gaat om een samenspel tussen actoren van de overheid en actoren uit het beleidsveld. Als je beleidsuitvoering ziet als een interactieproces tussen overheid en beleidsveld, dan lijkt het niet meer dan logisch dat de factoren die bij de uitvoerende instantie een rol spelen (informatie, doeleinden en macht) ook hier van toepassing zijn.



  • Bij de factor informatie gaat het erom of de doelactoren wel op de hoogte zijn van wat er van hen wordt verwacht en van de eventuele sancties.

  • De factor doeleinden werkt precies zo als beschreven in de vorige paragraaf. Het gaat erom of de doelactoren willen meewerken aan het uit te voeren beleid (wil en houding).

  • Bij de factor macht gaat het om de positie in het beleidsspel.

4.5 Beleidsevaluatie

Beleidsevaluatie is het beoordelen van de effecten van (onderdelen van) een beleid aan de hand van de doeleinden van een beleid. De drie vragen die bij een evaluatie horen:

1. In hoeverre heb ik mijn doeleinden bereikt?

2. In hoeverre is dit te danken aan mijn beleid?

3. In hoeverre spelen andere factoren een rol?

De conclusies van een evaluatie kunnen een bijstelling van het beleid tot gevolg hebben.



4.6 Beleidsbeëindiging

Beleid kan eindigen. Van volledige beleidsbeëindiging is bijna nooit sprake. Het beleid wordt vaak in de een of andere vorm voortgezet. De belangrijkste redenen voor beleidsbeëindiging zijn:

1. Het beleid heeft zijn functie gehad

2. Het beleid wordt aangepast met nieuwe doelstelling

3. Het beleid wordt opgevolgd door beleid met soortgelijke doelstellingen

4. De reden voor het beleid verandert of valt weg

Het beëindigen van beleid: het is een belangrijke fase, die meer zou moeten voorkomen dan nu het geval is.
Hoofdstuk 5 Beslissingen

5.1 –

5.2 Er zijn vele soorten beslissingen

Waar gaat het om bij beslissen?

In de eerste plaats gaat een beslissing altijd ergens over, de beslissing is een doel. In de tweede plaats wordt een beslissing altijd door iemand genomen. In de derde plaats richt een beslissing zich vaak tot iemand. In de vierde plaats is het belangrijk welke effecten een beslisser verwacht van het door hem of haar te nemen besluit. Het vijfde en laatste punt: bij beslissen gaat het om informatie. Veel hangt af van de informatie waarover beleidsmakers beschikken.

Figuur 5.1 Elementen die een beslissing eenvoudig of complex kunnen maken



Doel

Enkelvoudig/eenvoudig

Meervoudig/complex

Beslisser

één persoon

Meervoudige organisaties

Doelgroep

één persoon

Iedereen/vele belangen

Effect

Eenduidig/helder

Onbekend/bijeffecten

Informatie

Volledig

Gebrekkig




Eenvoudig --------------------

complex

5.3 Besluitvormingsmodellen

De eerste drie modellen die wij beschrijven zijn:

1. het klassieke besluitvormingsmodel

2. het incrementele model

3. mixed scanning

De belangrijkste verschillen tussen de drie modellen zitten in:



  • De mate waarin de beleidsmakers rationeel kunnen beslissen

  • De informatie waarover beleidsmakers beschikken

5.3.1 Het klassieke besluitvormingsmodel

Bij het klassieke besluitvormingsmodel gaat het om het nemen van een beslissing met een volledig inzicht in alle aspecten die eraan zijn verbonden. Het rationele model geldt pas als:



  • Alle keuzemogelijkheden bekend zijn

  • Er sprake is van volledige informatie

  • De keuzemogelijkheden in ene voorkeursvolgorde kunnen worden geplaatst

  • Er voor een gegeven situatie een beste oplossing aan te geven valt

Naarmate ene probleem ingewikkelder wordt is deze klassieke besluitvorming meestal niet toepasbaar.

5.3.2 Incrementele besluitvorming

Lindblom: aanmodderen, the science of muddling through -> incrementele besluitvorming. Het incrementele model gaat ervan uit dat besluitvormers geconfronteerd worden met onzekerheden, strijdige belangen en organisationele belemmeringen. Verder is de informatie van belang. Bij incrementele besluitvorming is deze vaak onvolledig of hoogst verwarrend. Dit heeft tot gevolg dat men snel zal terugvallen op bekende, vertrouwde alternatieven. Dit model vind je vooral bij complexe beslissingen. Het wordt veiliger geacht om bij onzekerheid slechts minimaal van de bestaande situatie af te wijken.


  1   2   3   4

  • 2.1 - 2.2 Geschiedenis van bestuur
  • 2.3 De overheid 2.3.1 Het begrip ‘overheid’
  • 2.3.2 Kenmerken van de Nederlandse overheid
  • 2.4 Het begrip ‘algemeen belang’
  • 3.2 De systeembenadering 3.2.1 Het model
  • 3.2.2 Het werkmodel
  • 3.2.4 Systemen zijn met elkaar verbonden
  • 3.2.6 Het veldproces is een keuzeproces
  • 3.2.7 De omgeving: de contingentie- en de interorganisatietheorie
  • 3.3 NIET Hoofdstuk 4 Beleid in fasen 4.1 Inleiding
  • 4.2.1 De maatschappelijke agenda
  • 4.3 Beleidsvorming 4.3.1 Beleidsvoorbereiding
  • 4.4.1 Het beleidsprogramma
  • 4.4.2 Kenmerken van de organisatie die het beleid uitvoert
  • 4.4.3 Kenmerken van het veldproces
  • 5.1 – 5.2 Er zijn vele soorten beslissingen
  • Doelgroep één persoon Iedereen/vele belangen Effect
  • Eenvoudig --------------------  complex 5.3 Besluitvormingsmodellen
  • 5.3.1 Het klassieke besluitvormingsmodel
  • 5.3.2 Incrementele besluitvorming

  • Dovnload 127.63 Kb.