Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Framing Islam Een onderzoek naar de beeldvorming over moslims in de media en onder de Nederlandse bevolking

Dovnload 0.77 Mb.

Framing Islam Een onderzoek naar de beeldvorming over moslims in de media en onder de Nederlandse bevolking



Pagina7/14
Datum20.10.2017
Grootte0.77 Mb.

Dovnload 0.77 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   14

De onderwerpen die duidelijk het meest geassocieerd worden met de islam zijn; hoofddoek (64 %), Koran (61 %), moskee (59 %) en ramadan (39 %).2

Andere woorden die veel met de islam geassocieerd worden; gebed (29 %), fundamentalisme (25 %), al Qai’da (22 %), Mohammed (22 %), jihad (19 %) en terrorisme (17 %). Het is duidelijk dat de meerderheid van de mensen onderwerpen kiest die deel uitmaken van het islamitisch geloof (Koran, Mohammed). Toch worden er ook veel onderwerpen gekozen die samenhangen met het terrorisme. Men is niet slechts geneigd om onderwerpen te kiezen die veel in de media aan bod komen (Ayaan Hirsi Ali 3 %, Homofobie 5 %, Islamitisch onderwijs 6.6 % en Probleemjongeren 13 %). Onder de trefwoorden stond ook de keuzemogelijkheid ‘Anders, namelijk….’. Tien mensen maakten van deze optie gebruik en noemden onder andere: vrouwendiscriminatie, vrouwenonderdrukkingen, vrouwonvriendelijk en geweld tegen vrouwen.


3.2 Opvattingen over de islam

In dit onderzoek wordt een poging gedaan te achterhalen hoe mensen over de islam denken. Maar met name interessant is de vraag hoe zij tot hun opvattingen komen. In welke mate zijn de media informatiebron over de islam?


In de enquête werd gevraagd hoe men de opvattingen over islam en moslims zou typeren:
Tabel 3.2 Aantal Percentage

Positief, ik vind het een mooi geloof 11 7.5%

Positief, ik zou er graag meer over willen weten 23 15.6%

Neutraal 65 44.2%

Negatief, ik heb er niet veel ervaring mee 32 21.8%

Negatief, ik heb er slechte ervaring mee 16 10.9%


Opvallend is dat 44% zijn mening over de islam als neutraal typeert. Eenderde van de respondenten geeft aan een negatieve opvatting over de islam te hebben. Daarvan heeft 22% een negatieve perceptie zonder dat men veel ervaring heeft met de islam en 11% baseert de negatieve mening op slechte ervaringen. Van de 23% die wel positief denkt over de islam geeft 16% aan graag meer over de islam te willen weten en 8% is van mening dat de islam een mooi geloof is.
In het onderzoek werd de geënquêteerden gevraagd wat hun voornaamste bron is voor informatie over de islam. Mensen konden meerdere opties aankruisen. Doel van deze vraag was onder andere te achterhalen van welk medium het meest gebruik wordt gemaakt. Hieruit kwam de volgende uitkomst:
Tabel 3.3 Aantal Percentage

TV 69 46.0%

Omgeving / Kennissen 55 36.6%

Krant 53 35.5%

Literatuur 23 15.3%

Overig, namelijk… 10 6.6%

Internet 5 3.3%

De meeste kennis over de islam wordt verkregen via de tv. Ook de krant en de omgeving/kennissen zijn bronnen van informatie. Er werd gevraagd hoe mensen komen tot een oordeel over de islam. Ook hier konden meerdere opties worden aangekruist.


Tabel 3.4 Aantal Percentage

Door de media 69 46%

D

oor mijn omgeving 66 44%

Door contact met moslims 57 38%

Doordat ik mij in de islam verdiept heb 24 16%

Anders, namelijk: 16 10.6%
46 % baseert zijn/haar mening over de islam op grond van wat hij of zij via de media hoort, ziet of leest. 44 % vormt een mening over de islam naar aanleiding van wat men in de omgeving ervaart en 38 % heeft zijn/haar opvatting door contact met moslims. 16 % komt tot een mening over de islam op grond van verdieping.
3.2.1 Integratie

Uit onderzoek van het NIPO blijkt dat bijna 75 % van de autochtonen vindt dat allochtonen te weinig doen om te integreren (NIPO, 2002). Ook in deze enquête gaat de aandacht uit naar integratie. Uit de enquête blijkt dat 41 % van de ondervraagden vindt dat de islam binnen de Nederlandse samenleving past. 44 % vindt van niet en 15 % weet het niet.

Op de vraag of moslims in voldoende mate zijn aangepast aan de Nederlandse samenleving antwoordt 68 % ‘nee’. 11 % vindt dat moslims wel voldoende zijn aangepast en 21 % weet het niet. De mensen die bij deze vraag ‘nee’ geantwoord hebben, werd gevraagd om in een open vraag aan te geven op welke wijze moslims zich zouden moeten aanpassen aan de Nederlandse samenleving. In deze paragraaf wordt een samenvatting gegeven van de resultaten.
Het meest gegeven antwoord luidt dat moslims de Nederlandse taal moeten leren. Moslims zouden volgens de ondervraagden de taal beter moeten beheersen en meer van de cultuur moeten weten. Een veel genoemd antwoord is ook “normen en waarden”. Volgens veel ondervraagden moeten moslims zich de Nederlandse normen en waarden beter eigen maken.

Uit de enquête blijkt dat er heel wat van moslims wordt verwacht. Enkele van deze eisen zijn onder andere: “Meer initiatieven nemen (maatschappelijke initiatieven). Actiever deelnemen aan de samenleving”, “Opleiding volgen. Werk zoeken. Niet rondhangen. Niet profiteren van de samenleving.”, “Probleemjongeren aanpakken” etc. Moslims moeten zich actief inzetten in de samenleving en moeten volgens de ondervraagden heel wat in het werk stellen voordat zij een plek in de samenleving hebben verworven.

De ondervraagden vinden dat moslims geen aparte groep moeten vormen en zich niet zo snel aangevallen moeten voelen. Door verschillende mensen wordt het geloof en de cultuur genoemd op punten waarop de integratie kan verbeteren. Uit enkele antwoorden blijkt dat de ondervraagden moslims niet als onderdeel zien van de Nederlandse samenleving. Een enkeling vindt zelfs dat ze teruggestuurd mogen worden als zij niet voldoende integreren. Er zijn verschillende mensen die aangeven dat hun kritiek niet opgaat voor alle moslims en een enkeling vindt dat in de integratie gezocht moet worden naar een middenweg.

3.3 De invloed van de media op de beeldvorming over de islam

In paragraaf 3.1.8 geven enkele respondenten aan zich bewust te zijn van de invloed van de media. Zij vinden dat de berichtgeving hun opvatting over de islam beïnvloedt.

Op de vraag of de media de islam op correcte wijze weergeven antwoord 42 % ‘Nee’. 18 % is wel van mening dat de media de islam op correcte wijze weergeven en 40 % weet het niet. 66 % van de ondervraagden is van mening dat de media de publieke opinie over de islam negatief beïnvloeden. 16 % vindt dat niet en 18 % weet het niet.
Als mensen zeggen dat hun mening over de islam negatief beïnvloed wordt door de mediaberichtgeving, dan is daarmee nog niet aangetoond dat dit ook werkelijk het geval is. Hoewel velen onderzoekers zich over de invloed van mediaberichtgeving op de publieke opinie gebogen hebben, blijft het verband moeilijk empirisch aantoonbaar. Toch wordt in dit onderzoek getracht dit verband aan te tonen door uitkomsten van verschillende vragen aan elkaar te koppelen.

In dit onderzoek wordt een poging gedaan te achterhalen welke associaties met de islam mensen hebben op grond van mediaberichtgeving. Paragraaf 3.1.11 van dit hoofdstuk geeft een overzicht van de associaties met de islam. Bij elk van de gekozen trefwoorden, werd de respondent gevraagd om de keuzes te motiveren. Men kon aangeven of men tot deze keuze gekomen was op grond van “kennis”, “ervaring”, “de media”, “intuïtief” of “anders”. De uitkomsten hiervan staan in de bijlage.

In deze paragraaf worden de meest opvallende uitkomsten besproken.
Van de mensen die voor de optie “Koran” kozen baseert 56 % zich op kennis. Voor de optie “Mohammed” baseert 55 % zich op kennis. Andere opties die veelal op grond van kennis zijn gemaakt zijn; “gebed” 44 %, “moskee” 44 % en “ramadan” 44 %. Van de mensen die “hoofddoek” met de islam associeerde baseert 21 % zich op kennis, 22 % op de media en 37 % op ervaring. De keuze voor “lekker eten” of “gastvrijheid” baseert men (hoewel deze opties niet vaak zijn gekozen) voor 50 % op ervaring.

Onderwerpen die met name gekozen worden op grond van wat men in de media hoort of ziet zijn; “jihad” 41 %, “maagdelijkheid” 44 %, “fundamentalisme” 57 %, “criminaliteit” 58 %, “al Qai’da” 58 %, “probleemjongeren” 59 %, “Osama bin Laden” 60 % en “terrorisme” 72 %.


criminaliteit” en “probleemjongeren” kiest men voor (respectievelijk) 25 % en 29 % op grond van ervaring en 28 % kiest voor de optie “jihad” op grond van kennis.
Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de mensen die voor onderwerpen kiezen die te maken hebben met de islam als godsdienst, dit met name doen op grond van kennis. Opvallend is dat de onderwerpen die gekozen worden omdat ze vaak in de media zijn, voornamelijk negatieve onderwerpen zijn. Men associeert bijvoorbeeld “Mohammed” en “gebed” met de islam op grond van kennis, maar “terrorisme” en “criminaliteit” op grond van mediaberichten.

Een grote meerderheid die kiest voor de opties “fundamentalisme”, “al Qai’da”, “Osama bin Laden” en “terrorisme”, doet dat omdat deze onderwerpen vaak in de media zijn. Dat mensen de islam met terrorisme associëren kan dus niet los gezien worden van de grote hoeveelheid aandacht die de media aan dit onderwerp besteden.

In paragraaf 3.2 geeft tabel 3.2 inzicht in de wijze waarop de ondervraagden hun opvattingen over de islam typeren. Tabel 3.4 van deze paragraaf geeft zicht op de informatiebronnen. Als de gegevens van deze twee tabellen gekoppeld worden, dan kan worden nagegaan op welke grond mensen tot bepaalde opvattingen komen. De uitkomst hiervan is te zien in tabel 3.5. De aantallen zijn eigenlijk te klein om echt iets zinnigs over dit verband te zeggen. Het moet gezien worden als grove indicatie van het verband tussen bron van kennis en meningsvorming.


Tabel 3.5 Aantal Percentage
D

oor mijn omgeving

Positief, ik vind het een mooi geloof 3 23.0%

Positief, ik zou er graag meer over willen weten 14 37.8%

Neutraal 24 22.4%

Negatief, ik heb er niet veel ervaring mee 1 2.0%

Negatief, ik heb er slechte ervaring mee 6 24.0%

Doordat ik mij in de islam verdiept heb

Positief, ik vind het een mooi geloof 4 30.8%

Positief, ik zou er graag meer over willen weten 4 10.8%

Neutraal 10 9.3%

Negatief, ik heb er niet veel ervaring mee 18 37.5%

Negatief, ik heb er slechte ervaring mee 5 20.0%



Door de media

Positief, ik vind het een mooi geloof 2 15.4%

Positief, ik zou er graag meer over willen weten 8 21.6%

Neutraal 36 33.6%

Negatief, ik heb er niet veel ervaring mee 18 37.5%

Negatief, ik heb er slechte ervaring mee 5 20.0%



Door contact met moslims

Positief, ik vind het een mooi geloof 2 15.4%

Positief, ik zou er graag meer over willen weten 10 27.0%

Neutraal 30 28.0%

Negatief, ik heb er niet veel ervaring mee 10 20.9%

Negatief, ik heb er slechte ervaring mee 4 16.0%



Anders

Positief, ik vind het een mooi geloof 2 15.4%

Positief, ik zou er graag meer over willen weten 1 2.7%

Neutraal 7 6.5%

Negatief, ik heb er niet veel ervaring mee 1 2.0%

Negatief, ik heb er slechte ervaring mee 5 20.0%

Van de mensen die hun mening vormen op grond van hun omgeving hebben de meeste een positief oordeel over de islam en zouden er graag meer over willen weten. Van de groep die zijn mening over de islam vormt door verdieping hebben de meeste een negatief oordeel zonder dat zij veel ervaring hebben met de islam. Ook de groep die de media als voornaamste informatiebron heeft, heeft een negatief oordeel zonder dat zij veel weten van de islam. Van de mensen die contact met moslims als voornaamste informatiebron hebben, hebben de meeste een neutrale opvatting. Ook is er onder hen een grote groep met een positief oordeel over de islam en de wens om er meer over te weten.
3.4 Kritiek op de enquête

Aan het einde van de enquête werd de geënquêteerden gevraagd of zij nog opmerkingen hadden. In die opmerkingen valt op dat verschillende mensen zich kritisch uitlaten over de vraagstelling van deze enquête. De kritiek richtte zich met name op stellingen die in de enquête voorkwamen, die overigens in deze weergave van het onderzoek niet zijn opgenomen. Twee ondervraagden geven aan dat zij bij de vragen graag toelichting zouden willen geven. Tien mensen geven aan dat zij door deze enquête negatieve antwoorden geven en daardoor generaliseren, terwijl de waarheid voor hen niet zo zwart-wit is. Iemand noemt de vragen algemeen en generaliserend en een ander vindt dat hij of zij met de gegeven antwoorden moslims over een kam scheert. Een ondervraagde zegt: “Het is erg zwart-wit (begrijpelijk), maar mijn mening is niet zo zwart-wit, meer grijs.” En een ander geeft aan: “Ik vind het moeilijk deze enquête in te vullen, omdat je heel erg generaliseert. Er is tussen moslims heel veel verschil in bijvoorbeeld integratie etc.”

Deze antwoorden bevestigen dat het moeilijk is om onderzoek te doen naar beeldvorming. Hoewel ook open vragen zijn geformuleerd, waarbij de ondervraagden hun antwoorden kunnen motiveren of nuanceren, is blijkbaar niet voorkomen dat dit onderzoek mensen dwingt tot stereotype antwoorden.
3.5 Conclusie

Aan de hand van de enquête kan worden geconcludeerd dat de meeste mensen over enige kennis beschikken en dat hun eerste associaties met de islam ook echt deel uit maken van de godsdienst (gebed, koran, moskee etc.). De beeldvorming over moslims kan gezien worden als overwegend negatief. Moslims worden gezien als een groep, voor wie het geloof in grote mate het dagelijks leven bepaalt. De kritische opmerkingen hebben voornamelijk betrekking op de wijze waarop moslims hun geloof belijden. Moslims zijn volgens veel respondenten een groep die (te) veel met het geloof bezig is. De islam wordt gezien als een streng geloof dat op fanatieke wijze wordt uitgedragen. Een ander punt van kritiek is dat de moslimgemeenschap een gesloten groep vormt die niet openstaat voor kritiek.

Uit de enquête blijkt dat veel associaties samenhangen met geweld en fundamentalisme. Terrorisme, fundamentalisme, aanslagen en jihad lijken in de ogen van de ondervraagden onlosmakelijk met de islam verbonden. Veel antwoorden hangen samen met fanatisme, geweld, onderdrukking en integratieproblematiek. De positie van de vrouw wordt gezien als ondergeschikt. De meerderheid vindt dat moslims meer moeten doen om geïntegreerd te zijn. Zij worden overwegend gezien als ‘vreemdelingen’ en maken niet als vanzelfsprekend deel uit van de Nederlandse samenleving.
De overwegend negatieve kwalificaties geven blijk van een negatieve beeldvorming. Toch blijkt uit dit onderzoek dat de antwoorden in veel gevallen niet eenduidig negatief zijn en blijkt dat positieve associaties, negatieve associaties kunnen aanvullen. Door het maken van categorieën zijn de antwoorden uit hun context gehaald. De antwoorden zijn in veel gevallen samengesteld. Dit onderzoek laat zien dat beeldvorming erg genuanceerd ligt. Dat mensen overwegend negatieve kwalificaties geven aan de islam wil niet zeggen dat zij slechts negatief over de islam denken.
Bijna de helft van de ondervraagden typeert zijn of haar opvatting over de islam als “neutraal”. Dit is een interessant gegeven aangezien veel geënquêteerden in hun antwoorden zeer uitgesproken zijn en allerminst “neutraal” overkomen. Het kan zijn dat mensen kiezen voor een optie “neutraal” vanwege politieke correctheid (het staat niet netjes om uitgesproken negatief te zijn). Het kan ook dat mensen ondanks hun negatieve associaties met de islam moeite hebben om hun mening als “negatief” te verwoorden. Wellicht dat mensen niet alleen maar negatief denken over de islam en negatieve oordelen niet willen generaliseren.
Mensen die hun opvatting als positief typeren doen dit op grond van hun ervaring met en kennis over de islam. Respondenten die negatief denken over de islam baseren hun oordeel op hun omgeving, op verdieping in de islam en op mediaberichtgeving.
Uit dit onderzoek blijkt niet direct dat mensen geneigd zijn om onderwerpen die veel in het nieuws zijn direct met de islam te associëren. Uit mijn onderzoek naar media berichtgeving bleek dat er veel media-aandacht is voor bijvoorbeeld islamitisch onderwijs en Ayaan Hirsi Ali en deze antwoorden komen in de enquête nauwelijks terug. Maar dat mensen niet direct aan dingen denken waar veel over bericht is in de media wil niet zeggen dat de media geen invloed hebben.
Wat betreft de invloed van de media op de beeldvorming heeft dit onderzoek een opvallend resultaat opgeleverd. De geënquêteerden is gevraagd naar hun associaties met de islam, en waar zij deze associaties op baseerden.

De uitkomst laat zien dat de associaties met godsdienstige aspecten van de islam (“Mohammed”, “gebed”, “Koran”) gebaseerd zijn op kennis. Associaties als “jihad”, “fundamentalisme”, “criminaliteit”, “al Qai’da”, “probleemjongeren,” en “terrorisme” worden gekozen op grond van wat men in de media ziet, hoort of leest. Dit laat zien dat de media het publiek in mindere mate voorzien van kennis over de islamitische godsdienst, maar wel grotendeels confronteren met politieke (terrorisme) en sociaal economische problematiek (criminaliteit) die samenhangt met de islam. Hoewel de invloed van mediaberichtgeving op opinievorming moeilijk empirisch aantoonbaar is zou je op grond van dit onderzoek wel vast kunnen stellen dat er aanwijzingen zijn dat negatieve associaties met de islam ontstaan op grond van informatie die via de media is verkregen.


Wanneer je onderzoek doet naar beeldvorming lijkt dit onderwerp te gecompliceerd om via een enquête tot zinnige antwoorden te komen. Beeldvorming blijkt vaak samengesteld en leent zich niet voor zwart-wit conclusies. Toch denk ik via dit onderzoek inzicht te geven in de gedachten die spelen omtrent het onderwerp islam. Dit onderzoek laat zien dat mensen overwegend, maar niet slechts, negatieve associaties hebben met de islam en dat er reden is om aan te nemen dat kennis over de negatieve kenmerken van de islam grotendeels via de media wordt verkregen.

  1. De berichtgeving over islamitische scholen


In deze scriptie doe ik een poging zicht te krijgen in het functioneren van de media met betrekking tot de berichtgeving over de islam. In hoofdstuk twee zijn de resultaten besproken van een studie naar de mediaberichtgeving. Met dit kwantitatieve onderzoek is inzicht verkregen in de onderwerpen waar veel over bericht werd, de periodes waarin dat gebeurde en de mensen die aan het woord kwamen. Voordeel van kwantitatief onderzoek is dat het betrouwbaar is omdat er weinig persoonlijke interpretatie aan te pas komt. Nadeel is dat het geen zicht geeft op de wijze waarop de media verslag doen over de islam. Om goed zicht te krijgen op de manier waarop er over de islam wordt bericht is kwalitatief onderzoek noodzakelijk.


In dit hoofdstuk worden de resultaten besproken van een kwalitatieve analyse van mediaberichtgeving. Met deze analyse kan het framings-proces inzichtelijk worden gemaakt en kan worden onderzocht welke frames overheersen. Omdat het niet mogelijk is alle berichtgeving te onderzoeken en omdat een steekproef geen representatief beeld oplevert, is gekozen voor een casestudie van de verslaggeving over islamitisch onderwijs. Zoals hoofdstuk twee laat zien is er in de media veel aandacht geweest voor islamitische scholen.

Het onderzoek richt zich op de periode 1 december 2001 tot en met 30 december 2003. In deze periode is er een rapport verschenen van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) over islamitisch onderwijs. Ook heeft de Onderwijsinspectie tot twee maal toe onderzoek verricht op islamitische scholen. Het tv-programma NOVA had enkele spraakmakende uitzendingen over dit onderwerp. Tevens hebben politici zich duidelijk uitgesproken over, en soms tegen, het islamitisch onderwijs.

Mijn studie is er voornamelijk op gericht zicht te krijgen op het ontstaan van frames. Het benadrukken van de frames kan ten koste gaan van de evenwichtigheid in de berichtgeving.

De berichten die gebruikt zijn voor deze analyse zijn geselecteerd via de website Krantenbank.nl. Verschillende zoektermen zijn ingevoerd, zoals islamitische scholen, islamitisch onderwijs, islamscholen etc. Het risico bestaat dat er berichten niet zijn geselecteerd, en dus niet zijn meegenomen in de analyse. Er is gebruik gemaakt van de berichtgeving van de verschillende dagbladen: Algemeen Dagblad, de Volkskrant, Het Parool, NRC Handelsblad en Trouw. De artikelen van De Telegraaf waren niet beschikbaar via de krantenbank en zijn daarom niet meegenomen in dit onderzoek. Ook de uitzendingen van het tv-programma NOVA zijn opgenomen in de analyse. Ik ben mij ervan bewust dat het onderzoek vollediger was geweest als ook andere programma’s, zoals Twee Vandaag, Netwerk of het NOS journaal, zouden zijn onderzocht.

Met de selectie van deze media tracht ik niet een volledig beeld te krijgen van alles wat er in de media gezegd is over islamitisch onderwijs. Toch denk ik dat deze selectie voldoende mogelijkheid biedt om een algemene indruk te krijgen van de voornaamste interpretatiekaders die in de berichtgeving prominent zijn.

In het onderzoek is niet gedifferentieerd tussen de verschillende media. Het is mogelijk dat het ene dagblad op andere wijze over islamitische scholen bericht dan het andere. Doel van dit onderzoek is dan ook niet om per medium het wel of niet correct handelen te beoordelen, maar het algemene proces rondom een mediahype inzichtelijk te maken.



4.1 Een overzicht van de berichtgeving over islamitisch onderwijs




F
iguur 4.1: De frequentie van de berichtgeving over islamitische scholen in de periode 01-12-01 t/m 30-12-03

De islamitische scholen zijn in de periode 2001-2003 volop in het nieuws geweest. Figuur 4.1 laat zien dat er in bepaalde periodes een piek is in de berichtgeving over islamitische scholen. De piek rond februari 2002 hangt samen met een uitzending van het tv-programma NOVA over de banden die islamitische scholen zouden hebben met fundamentalistische organisaties en het BVD-rapport over islamitische scholen. In april 2002 berichten sommige kranten over de wens van minister Van Boxtel (Grote steden en Integratie) om het bijzonder onderwijs af te schaffen. In oktober 2002 verschijnt het Inspectierapport naar islamitische scholen. Er is kritiek op dit rapport, omdat de godsdienstlessen niet geïnspecteerd zijn. Ook is er in de periode november/december discussie over de wenselijkheid van bijzonder onderwijs en de grens van de vrijheid van onderwijs. De Onderwijsinspectie presenteert in oktober 2003 een nieuw rapport waarin wel de godsdienstlessen worden besproken. In november 2003 dient Ayaan Hirsi Ali een motie in waarin zij pleit voor strengere regels voor bijzondere scholen die de oprichting van nieuwe islamitische scholen moeten tegen gaan. Het VVD-standpunt, dat de oprichting van nieuwe scholen moet worden tegen gegaan, krijgt in de maanden november en december van 2003 veel aandacht in de media.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   14

  • De berichtgeving over islamitische scholen
  • 4.1 Een overzicht van de berichtgeving over islamitisch onderwijs

  • Dovnload 0.77 Mb.