Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Een of ander Oostenrijk’. Oostenrijk in de Nederlandstalige poëzie, een geval van januskoppigheid

Dovnload 66.26 Kb.

Een of ander Oostenrijk’. Oostenrijk in de Nederlandstalige poëzie, een geval van januskoppigheid



Datum01.02.2019
Grootte66.26 Kb.

Dovnload 66.26 Kb.

een of ander Oostenrijk’. Oostenrijk in de Nederlandstalige poëzie, een geval van januskoppigheid

Carl De Strycker (Poëziecentrum)


In 1998 gaf Herbert Van Uffelen een overzicht van Nederlandstalige literatuur waarin de hoofdstad van Oostenrijk, Wenen, een rol speelt. Hij concentreerde zich daarbij voornamelijk op verhalend proza. Wat betreft poëzie haalde hij enkel de titelreeks uit de bundel De jagers in de sneeuw (1986) van Erik Spinoy aan en vermeldde hij terloops een gedicht van Lizzy Sara May (Van Uffelen, 1998). Verder werden geen Wenen-gedichten behandeld. Voorliggende bijdrage wil een aanvulling bieden bij Van Uffelens artikel voor wat betreft het genre van de lyriek. Samen met de bibliothecaris van Poëziecentrum, Stefaan Goossens, ben ik in de collectie op zoek gegaan naar gedichten over Oostenrijk, met als bedoeling een corpus samen te stellen dat het mogelijk maakt om een beeld te schetsen van de wijze waarop de Alpenstaat gepercipieerd wordt door uiteenlopende dichters. Hoe functioneren het land, zijn cultuur, zijn steden in Nederlandse verzen? Vervolgens is het de vraag of er meer systematische patronen te ontwaren vallen in de manier waarop Oostenrijk weergegeven wordt.

Daartoe hebben we in eerste instantie thematische bloemlezingen over landen en reizen doorzocht op geografische aanwijzingen, plaatsnamen of gebergtes. Daarnaast hebben we diverse bloemlezingen over muziek en verzamelbundels over beeldende kunst doorgenomen waarin we verzen veronderstelden tegen te komen over beroemde Oostenrijkse kunstenaars zoals Joseph Haydn, Wolfgang Amadeus Mozart, Ludwig van Beethoven, Franz Schubert, Johannes Brahms, Arnold Schönberg of Gustav Klimt, Egon Schiele, Oskar Kokoschka. We vonden inderdaad veel gedichten die gewijd zijn aan (de muziek van) de genoemde componisten – en van de hand van Hans Bouma zelfs gehele bundels over Mozart en Schubert (respectievelijk Bouma 1991 en 1997) – en gedichten bij werken van wereldberoemde Weense schilders. Die wil ik hier evenwel buiten beschouwing laten omdat ze voornamelijk inzoomen op de betreffende kunstenaar of diens werk, en niet zozeer ingaan op Oostenrijk. Het corpus voor deze bijdrage bestaat dus uit gedichten waarin (een element van) het land effectief genoemd wordt: een plaatsaanduiding,1 een monument, gebouw of bezienswaardigheid, een iconisch kunstobject… Dat levert een verzameling van een vijfentwintigtal losse gedichten op, waarbij Stefan Hertmans, over drie bundels verspreid, de meeste Oostenrijk-gedichten blijkt te hebben geschreven (6), en drie bundels die integraal aan Oostenrijk gewijd zijn: Spinoy’s De jagers in de sneeuw, waarin Wenen in haast elk van de gedichten uit de bundel aanwezig is, Ruiters in regenblauw van de vrij onbekende dichter Frans August Brocatus (1998) en Rotgipfler van Peter Nijmeijer (2004).

Wie lijnen probeert te trekken in dat heterogene corpus kan het volgende vaststellen: Nederlandstalige Oostenrijk-gedichten gaan voornamelijk over Tirol (7), Salzburg (7) of Wenen (9 en – bijna – volledig de bundels van Spinoy, Brocatus en Nijmeijer). En ten tweede: er zijn ruwweg twee posities ten opzichte van het land: bewondering of kritiek, hetzij ten opzichte van de barbarij waar het land zich na de Anschluss bij nazi-Duitsland mee schuldig aan heeft gemaakt, hetzij op het beruchte conservatisme.2 De bibliografie geeft een overzicht van alle door ons verzamelde gedichten die binnen de genoemde criteria vallen; in deze bijdrage worden die uiteraard niet allemaal en niet allemaal even diepgaand behandeld.
Clichés over Tirol
In de gedichten over Tirol worden clichés niet geschuwd. ‘Jodelende Tyrolers’ van Gaston Burssens evoceert het karakteristieke vrolijke gezang van de Alpenbewoners: ‘het halali het halalo’ (Burssens, 2005, p. 231); Lévi Weemoedt schrijft met ‘Dijenkletser doet Alpengletscher’ een ironisch vers over de verwachtingen die door ‘Lederhosenfilme’ gewekt worden bij een bezoek aan Tirol: ‘een lustig volk woont daar: rokken of broeken / kennen ze niet. De vrouw is blond, frivool. / De man ramt maar. Droefheid is ver te zoeken.’ Bij aankomst in de setting van die typische softpornofilms voltrekt zich volgende scène: ‘’k Liet jodelend mijn lederhose glijden, / smeet onderbroek en bril tot diep in ’t dal / want: ginds lagen de eerste blote meiden!’ Alleen: dat blijken koeien te zijn… ‘O, ’t werd voor allen daar een onvergeet’lijke nacht! / Een meid riep: ‘Boeoeh…!’ Had die soms méér verwacht?’ (Weemoedt, 1998, p. 113; originele cursivering).

Het gebruik van dat soort platitudes heeft in deze gevallen een andere functie dan een beeld – genuanceerd of kritisch – weergeven van Oostenrijk. Burssens is in zijn bundel Klemmen voor zangvogels (1930), waaruit het genoemde gedicht afkomstig is, vooral op zoek naar een muzikale poëzie in het spoor van Paul Van Ostaijens Nagelaten gedichten. In de bundel zijn heel wat gedichten te vinden die naar muziek verwijzen (‘Piano’, ‘Ballade’, ‘Andante lamentoso’, ‘Allegretto’, ‘Serenade’, ‘Oud liedje’, ‘Vluchtige serenade’, ‘Berceuse voor onszelf’), en het gejodel van de Tirolers is dus slechts een van de vele manieren waarmee Burssens klankrijke poëzie tracht te schrijven. Weemoedt staat bekend als een dichter die met behulp van technisch vaardige verzen – zijn gedicht heeft de vorm van een Shakespeare-sonnet – de lach wil opwekken. Zijn vers moet het hebben van de dubbele interpretatie van het woord ‘meid’ (in het veehoudersjargon een aanduiding voor een koe), de vertekende blik van de (seks)toerist en de suggestie van bestialiteit.

Als Vestdijk in zijn bundel Kind van stad en land (1936) verslag doet van een ‘Alpenreis’ lijkt het wel de bedoeling om zo nauwkeurig mogelijk het berglandschap te beschrijven. Hij start in Berchtesgaden in Beieren, maar steekt de landsgrens over en bezoekt in het Oostenrijkse Tirol het ‘Steinernes Meer’ (Vestdijk, 1971, p. 228), ‘Noord-Tirol’ (p. 229), de hoofdstad ‘Innsbruck’ (p. 230), maakt een ‘Afdaling [van de] Atterkarjoch’ (p. 231) en eindigt in ‘Tschirgant’ (p. 232). De cyclus grossiert in schilderingen van de overweldigende natuurverschijnselen: ‘Rotsen vouwden brokk’lig samen’ (p. 228), ‘Achter in dalen straalt het ijs verborgen. / Hier dringen leem en gras de rotsen weg.’ (p. 229), ‘Een grauwe reuzenborst, spaarzaam behaard, / En slangsgewijze schilf’rend soms verveld’ (p. 230). Tirol is bij Vestdijk het land van indrukwekkende bergen en idyllische dalen – niet minder een cliché dan dat van de jodelende Tirolers.
De januskop
Andere Oostenrijk-gedichten hebben hoofdzakelijk betrekking op de twee grote cultuursteden, Wenen en Salzburg, en spreken bewonderend of kritisch over het land. Het lijkt wel of Oostenrijk twee gezichten heeft: het is een land van hoge cultuur, maar evenzeer een land van extreme politieke opvattingen die in het verleden geleid hebben tot grote barbarij. Die ambiguïteit wordt uitgedrukt in het volgende gedicht van Anna Enquist:
Mozarts uitzicht
Door Wenen liepen we drie dagen
de koortsige muzikant achterna.
Op deze traptreden rende hij, kroop;
wij betastten ze met blote handen.
We zogen van de dakbalk de nerven,
van de schoorsteen de roetveeg. Wij
likten het stof uit de vloernaden.
Japanse vrouwen lieten het Lacrimosa
uit koptelefoons knetteren, Spanjaarden
floten de Figaro, schoolkinderen renden
rond de vitrines. Binnen deze muren,
ja, in de maat van deze vertrekken.
We drukten de wangen tegen het raam
en zagen wat gezien was: de Bloedsteeg.

(Enquist, 2000, p. 15)


Enquist beschrijft een bezoek aan het zogenoemde Figarohaus in de Domgasse, net achter de Stephansdom – het huis waar Mozart woonde van 1784 tot 1787 en zijn beroemde opera Figaro componeerde. De sprekende instantie is in Wenen op een soort pelgrimage ter ere van de toondichter. Uit de eerste strofe spreekt blinde idolatrie. Het gaat zelfs zover dat het vuil geïnterioriseerd wordt om zo dicht mogelijk bij de geliefde componist te komen. De tweede strofe behandelt het – ergerlijke – gedrag van de overige bezoekers, maar eindigt met een twist. Naar buiten kijkend zien de personages de Blutgasse, het beroemde straatje waar duels op leven en dood werden uitgevochten. Dat is effectief het uitzicht vanuit de woning van Mozart, maar het heeft ook een symbolische betekenis. Behalve dat het de stad is van de grote kunst en belangrijke kunstenaars die uitzinnig bewonderd worden, heeft Wenen ook een andere, meer duistere zijde.3

Een zelfde dubbelzinnigheid wordt opgeroepen in een vers van Saul van Mensel:


festspiele salzburg (1969)
een felle vrouw
kijkt me aan
instinctief voel ik
of mijn jodenster
wel goed zit
Setting is hier het beroemde muziek- en toneelfestival dat jaarlijks plaatsvindt in de geboortestad van Mozart. Tijdens die culturele hoogmis komt een joodse bezoeker, 25 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, oog in oog te staan met een ‘felle vrouw’ en haar blik bezorgt hem het gevoel alsof het naziregime nog heerst.4 Dat is illustratief voor de dubbele verhouding die er in de Nederlandse poëzie bestaat ten opzichte van Oostenrijk.5
Bewondering voor de kunst, ontsteltenis over het gedachtegoed
De gedichten die het sterkst bewonderend spreken over Oostenrijk zijn te vinden in Ruiters in regenblauw van Brocatus. De dichter zoomt in op de culturele bloeiperiode van Wenen: het fin de siècle (zie daarvoor bijvoorbeeld Schorske, 1989 of Weeda, 2011) en gaat aan de slag met Klimt, Schönberg, Kokoschka, Ludwig Wittgenstein, Gustav Mahler, Walter Gropius, Franz Werfel, Sigmund Freud, Schiele, Peter Altenberg, Arthur Schnitzler en Trakl. Kern van de bundel vormt een reeks van 28 gedichten – een voor elk levensjaar van de schilder – over Schiele. De andere gedichten zijn in een omarmende structuur daarrond geplaatst. De bundel is opgebouwd als een wandeling door de stad waarbij de plaatsen aangedaan worden die symbolisch zijn voor de genoemde kunstenaars, zoals de Josefstädterstrasse, waar Klimt zijn atelier had, of de Auenbruggergasse, waar Mahler en zijn vrouw Alma woonden. Al bevatten ze af en toe wat couleur locale, de gedichten gaan voornamelijk aan de slag met biografische gegevens en zijn om die reden minder interessant in het kader van deze bijdrage. De cycli worden evenwel van elkaar gescheiden door versregels die samen twee gedichten over de Weense Ringstraße vormen en wel degelijk iets over de stad zeggen. Het eerste luidt:
Steek de Augartenbrücke over
laat de keizerlijke koets
op de Ringstrasse onder de platanen staan
de stad is een lichaam
breek uit haar keurslijf
haar kransslagader
echo van bloed, de stad haar taal. (Brocatus, 1998)
Via de Augartenbrücke ga je de ringweg op en kom je dus ook de bundel binnen. Je wordt als lezer aangespoord de stad als een lichaam te zien – in een bundel waarin het werk van de bij uitstek lichamelijke schilder Schiele centraal staat is dat overigens niet zo vreemd. De stadsring wordt als centraal gegeven (‘kransslagader’) gezien, maar er wordt opgeroepen om de ‘keizerlijke koets’ te parkeren en ‘uit haar keurslijf’ te breken. Dat is inderdaad wat je doet als je met deze bundel als reisgids de stad zou bezoeken: je wijkt af van het traject met de grote monumenten om andere interessante plekken buiten de ring te ontdekken. Wat je ziet als je de gebaande paden verlaat – en dat is wat elk van de kunstenaars en denkers die in de bundel aan bod komen heeft gedaan – is dat er achter de façade van burgerlijkheid, stijfheid, netheid en afstandelijkheid een van leven en lust pulserende stad tevoorschijn komt.

Het andere gedicht gaat als volgt:


Leg de zweep niet meer
over het zweet van de paarden
de stad heeft koorts
span de uitgewoonde woorden uit
verlaat de Ringstrasse
gooi de zakdoek zonder initialen weg
sta stil op de Aspernbrücke, keer in, niet om. (Brocatus, 1998)
Ook in dit gedicht wordt de paardenkoets afgezworen als ouderwets. Geheel binnen de metaforiek van de stad als een lichaam wordt hier gesteld dat Wenen koorts heeft: ondanks de façade, ondanks de reputatie van gereserveerdheid, is het er broeierig. Dat is inderdaad wat uit het leven en het werk van de in de bundel besproken denkers en kunstenaars blijkt: onderhuidse seksuele spanning staat bij hen centraal. Wie dat inziet, begrijpt dat de taal niet meer onschuldig is, maar opgerekt wordt. Het gedicht is een aansporing om uit te breken uit het goed fatsoen. Wie het Wenen van het fin de siècle – en de bundel van Brocatus – verlaat, moet zijn leven veranderen en vooruit gaan.

Ruiters in regenblauw beschrijft de impact die de Weense intelligentsia van het fin de siècle heeft gehad op de burgerlijke stad, maar ook de invloed die er nog steeds vanuit gaat. De beroemde beelden van Klimt en Schiele, de muziek van Mahler en Schönberg en de ideeën van Freud hebben nog steeds hun bewonderaars en bezitten nog steeds de kracht om je leven te veranderen.

Eveneens onder de indruk van Wenen is Peter Nijmeijer. In de verantwoording bij zijn bundel ‘“Oostenrijkse” gedichten’, zoals hij ze zelf noemt, legt hij uit wat hem fascineert: de


hybride culturen, smeltkroezen waarin diverse culturele invloeden botsen of in elkaar overgaan. En Oostenrijk is een extreem en rijk geschakeerd voorbeeld van zo’n multi-culturele smeltkroes. […] Daarnaast is de voortdurende strijd tussen star en angstig burgerdom en de confronterende creativiteit van kunstenaars een bron van inspiratie geweest. (Nijmeijer, 2004, p. 44)
Zijn bundel bevat typische Weense elementen, zoals het dialect vol sj-klanken en de typische keukenspecialiteiten (Nijmeijer, 2004, p. 6) of de kenmerkende kledij (de dirndl) (Nijmeijer, 2004, p. 11). Daarnaast overheerst ook bij hem de bewondering voor de durf en de provocatieve kracht van de kunstenaars in gedichten over Schiele, de beeldhouwer Franz Xaver Messerschmidt, de dichter Ernst Jandl en de schilder Arnulf Rainer, maar tegelijk is er ook enige distantie. De dichter is zich bewust van het conservatisme van de stad (‘Wenen is geen moeder, modern / was zij ooit, Wenen is slechts een vader, als altijd / ouderwets hongerend, zuipend, verkapte façade’ (Nijmeijer, 2004, p. 37)) en het is ‘een kille stad vol stijve huizen, / vol Weners stram van lichaam, straf / van geest’ (Nijmeijer, 2004, p. 42). Het sterkst komt de kritische houding tot uiting in het openingsgedicht van de bundel. Dat gaat over de dubbelhartigheid die ook al in de gedichten van Enquist en Van Mensel werd aangeduid. Het vers heet ‘Waaraan ik nooit zal wennen’ (Nijmeijer, 2004, p. 5) en beschrijft een dinertje bij het poepchique Café Landtmann. Daar heerst een ouderwetse deftigheid: ‘Deze tent heeft beschaving, dass ist klar’, maar tegelijk roept het etentje een unheimlich gevoel op: ‘De Lammrücken is wolfachtig / heerlijk. De obers schuiven muisstil aan / met nog meer wijn uit een bloedrode fles.’ In een etablissement zo dicht bij de Heldenplatz, berucht vanwege de toespraak die Hitler er hield vanaf het balkon van de Hofburg, en ook vanwege het kritische toneelstuk van Thomas Bernhard, krijgt die maaltijd een onheilspellend karakter. De beschaving lijkt om te slaan in haar tegendeel; als hij zijn geliefde goed bekijkt, voelt de ik-figuur zich plots bedreigd door de stijfdeftigheid van de obers: ‘jij, met je bruine ogen en paarse sjaal, / lijkt heel erg joods in het hol van de wolf.’ Waarop de volgende strofe luidt: ‘De burgers willen een balkon. Onhoorbaar / getier achter grote glazen bier, tonnen / vol verwijten voor vandaag en gisteren.’ De volksaard is notoir conservatief, het (extreem-)rechtse gedachtegoed nooit ver weg, zoals bleek in 1999 toen de extreemrechtse FPÖ (Freiheitliche Partei Österreichs) van Jörg Haider aan de macht kwam in een coalitie met de christendemocraten, een scenario dat zich in 2017 herhaald heeft met de installatie van het kabinet Kurz, waarin FPÖ-leider Heinz-Christian Strache, een man met een neonazi-verleden, vicekanselier is.

Nog duidelijker over het naziverleden gaat het tweeluik ‘Mauthausen’ van Anneke Brassinga, dat het voormalige Oostenrijkse concentratiekamp net buiten Linz tot onderwerp heeft. Het eerste gedicht gaat over de slachtoffers, die ondanks het feit dat ze vermoord werden, aanwezig blijven. Hoewel hun dood in de tijd steeds verderaf ligt, zullen ze nooit vergeten worden, want de schaamte om wat er is gebeurd en de onuitsprekelijkheid van de misdaden zullen nooit verdwijnen:


Zij kijken ons niet aan, hun open ogen laten zien
wat binnendrong. Zij zinken langzaam weg
maar onder aarde blijven zij het stokkend hart
tot zal zijn uitgestorven alle schaamte,
het sprakeloze in voldongen smart teloor mag gaan. (Brassinga, 2003, p. 85)
‘Mauthausen II’ (Brassinga, 2003, p. 86) lijkt een ironisch vers over een waard die zijn uitspanning heeft ‘enkele kilometers voor het KZ’. ‘Wij moeten begrip hebben voor de cafébaas’, noteert de dichteres, want ‘Verkroppen moet hij in het hoogseizoen // vijfduizend fietsers elke dag, als blinde kippen / over ’t stuur gebogen om pas af te stappen / boven op de steile heuvel ginds / omdat er op de binnenplaats / van die roemruchte plek des onheils // ook een café is’. Op weg naar het kamp laten de toeristen zijn keet links liggen en dat steekt. Een praatje makend met de personages uit het gedicht die wel bij hem verzeild zijn geraakt, gebeurt het dat ‘hij op lichtelijk miskende toon / niet na kon laten mee te delen / dat het Lager van St. Georgen indertijd / het grootste van heel Europa was.’ Daar spreekt een heimelijke trots op een fout verleden uit; opnieuw wordt hier de Oostenrijker naar voren geschoven als een conservatief met extreemrechtse trekjes.
Wenen, een neoromantisch decor6
Met zijn talrijke bezoeken aan het land, die hun weerslag gevonden hebben in zowel een aanzienlijk aantal gedichten als in een reportage in Steden (1998), is Stefan Hertmans de auteur die het vaakst over Oostenrijk heeft geschreven. In zijn vier Wenen-gedichten en twee Salzburg-verzen vormen bekende plaatsen, gebouwen en monumenten de setting voor existentiële overpeinzingen. Het oudste Oostenrijk-gedicht komt uit de reeks ‘Steden’ in Het Narrenschip, die het poëtische pendant vormt van het reisreportageboek Steden. Het Wenen-vers opent dan ook op een plek die ook in Steden vermeld wordt (1998, p. 144): de Dorotheergasse, waar het beroemde Café Hawelka recht tegenover het hotel zit waar Franz Kafka en Max Brod nog gelogeerd hebben. De sprekende instantie is een insect dat de lezer een rondleiding geeft door de stad die een sfeer van decadentie en dood ademt – het beeld dat ook in Steden van Wenen geschetst wordt. In Annunciaties bezoekt Hertmans het Belvédère en de Hermesvilla, in Goya als hond de Maria Treu Kirche, en in diezelfde bundel wijdt hij twee gedichten aan de Kapuziner Berg in Salzburg. In het tweede daarvan identificeert hij zich met de uit Salzburg afkomstige Georg Trakl. Het tragische leven van deze dichter en de bezochte plaatsen triggeren telkens levensvragen en de gedichten gaan dan ook over schijn en werkelijkheid (Hertmans, 1997, p. 38), vergankelijkheid (Hertmans, 1997, p. 39), de omgang met schuldgevoelens (Hertmans, 1999, p. 10) en de als pijnlijk ervaren zelfdestructie van Trakl (Hertmans, 1999, p. 9) – typisch elementen die met Wenen en Salzburg in verband gebracht worden.

Eenzelfde sfeer wordt opgeroepen in de gedichten van Erik Spinoy. In de aantekeningen bij De jagers in de sneeuw noteert Spinoy dat de bundel ‘voor het grootste gedeelte in Wenen geschreven [werd]. De titels van de meeste gedichten verwijzen naar plaatsen, gebouwen of voorwerpen in Wenen.’ (Spinoy, 1986, p. 55) Daarmee dateert de dichter zijn werk op derridiaanse wijze – de aangebrachte markeringen zijn ‘une entaille ou […] une incision que le poème porte dans son corps, telle une mémoire, parfois plusieurs mémoires en une, la marque d’une provenance, d’un lieu et d’un temps’ (Derrida, 1986, p. 36) – en geeft hij iets prijs over de genese van de teksten. De aantekeningen beschrijven de genoemde plaatsen, gebouwen en voorwerpen, en werpen zo een licht op een aantal elementen in de gedichten, de verzen zelf gaan evenwel voorbij aan hun anekdotische aanleiding. In die zin is Wenen niet het onderwerp van deze bundel, maar slechts het decor waarin een ander verhaal verteld wordt. En dat gaat over betekenisproductie vanwege de toeschouwer van kunst en de lezer van literatuur – een typisch postmodern onderwerp. Toch is Spinoy’s debuut een bundel op het breukvlak van de neoromantiek en het postmodernisme. De setting is daarbij neoromantisch – Wenen, de stad die in het vorige fin de siècle haar hoogtepunt beleefde en nu teert op vergane grootsheid –, het onderwerp postmodern: de totstandkoming van betekenis.

De stelling is dat kunst geen betekenis an sich heeft, maar dat ieder die een kunstwerk bekijkt of een tekst leest zijn eigen interpretatie daaraan oplegt. Om die reden blijft kunst ook telkens nieuw. Spinoy grijpt voor die visie terug op het beeld van de engel – een neoromantisch motief – zoals hij dat vindt bij Stevens, Rilke en Valéry, een ‘engel die, als hij de ogen opslaat, / zijn licht op alle dingen werpt’. Dat is de blik die de toeschouwer/lezer moet hebben volgens kunstenaars:
Ze willen met zijn visie en verhalen
worden aangekleed. En dat is ook hun
recht. Want waartoe anders is hij opgestaan
dan om het voorwerp in musea, crypten,
een landschap of een atsmosfeer volgens
zijn eigen inzicht recht te doen? Hun dood
is niet hun dood, hij maakt ze steeds weer
los. Hij die zich van zijn plichten kwijt,
verwerft betekenis en zin. (Spinoy, 1986, p. 10)
De eerste drie gedichten, over ‘De noodzakelijke engel’, waarmee gedoeld wordt op de ingesteldheid om kunst te bezielen met interpretaties, bevatten opvallend veel neoromantische motieven: de roos, de dood, de aliënatie en het idee dat de schijnwereld een tegengif vormt voor de werkelijkheid (‘Schijn is de kleurrijkste waarheid – / even daar te zijn is heerlijk.’ (Spinoy, 1986, p. 11)).

Daarnaast gaan de gedichten vaak over de blik, de ogen, het precieze kijken (‘de oogbol van een laborant / die neerdaalt naar zijn microscoop’ (Spinoy, 1986, p. 39)), met als kern – ook structureel in de bundel – de titelcyclus die in zeven gedichten een erg precieze observatie biedt van het schilderij De terugkeer van de jagers van Pieter Brueghel, dat in het Kunsthistorisches Museum van Wenen te bewonderen is. Door nauwkeurig kijken komt de dichter tot een interessante interpretatie van het schilderij: ‘alleen wie toekijkt / kan het zien. Alleen wie waarlijk ogen heeft / verstaat.’ (Spinoy, 1986, 29). Het zien wordt een inzien, een begrijpen, met name van het feit dat dit geen terugkeer is, zoals de titel van het schilderij suggereert, maar ‘een aftocht’: de personages op het doek hebben nauwelijks buit en lopen gebogen – ze zijn als jagers mislukt en komen mismoedig terug. Die bijzonder specifieke en particuliere invulling is het gevolg van een proces van betekenistoekenning en interpretatie. Dat maakt dat het schilderij, een stilstaand beeld, in beweging gezet wordt, en dat je ook kan invullen wat je niet ziet, wat buiten het doek valt.

Het onderwerp van de bundel is dus de bezieling van het kunstwerk door diegene die er zich mee bezighoudt. Wenen levert met zijn rijke culturele verleden het geschikte materiaal daarvoor. Opvallend vaak wordt vermeld dat het winter is (wat tot stilstand en verstijving leidt, maar ook tot gedempte auditieve indrukken) en dat alles stilgevallen lijkt. In de titelcyclus is het natuurlijk winter en heeft het gesneeuwd, maar ook in ‘Linke Wienzeile’ heet het: ‘Paden zijn begaan // en tonen stilstand zonder spoor. / Sneeuw is nachtenlang gevallen.’ (Spinoy, 1986, p. 16), of in ‘Wapenrusting’: ‘Op de vijvers / rust nog steeds het deksel van het / ijs’ (Spinoy, 1986, p. 27). ‘Meermin’ gewaagt dan weer van ‘wie alleen maar / stilstaat.’ (Spinoy, 1986, p. 28). Daarnaast is een hele reeks gedichten gewijd aan kerkhoven – de plaatsen bij uitstek waar alles tot stilstand is gekomen –, met als meest neoromantisch-decadente voorbeeld de Kapuzinergruft, waar de praalgraven van de Habsburgers worden bewaard: ‘Wat telt is herfst, barok – // de overdaad die niet meer in zichzelf / gelooft.’ (Spinoy, 1986, p. 44). De wufte versieringen van de graven ten spijt is het geloof in de herrijzenis (van de Habsburgse monarchie) dood.

Voor het beeld van Oostenrijk zijn nog twee gedichten uit De jagers in de sneeuw interessant. Het eerste is ‘Gloriette’, over het spiegelpaleis op het bergje recht tegenover de zomerresidentie van de keizer, Schloss Schönbrunn. In dat gedicht spreekt de dichter de lezer aan:


[…] Ik weet het,
lezer, lezer, je wou als een toerist van
een defecte telescoop, met het gevoel te zijn
bedrogen weggaan van het overzicht dat
dit gedicht je tonen ging. Je stootte op cliché
terwijl je een onthulling had verwacht. (Spinoy, 1986, p. 47)
Dat heeft in eerste instantie betrekking op de wijze waarop de dichter in de regels daaraan voorafgaand de omgeving schetst: ‘Hoger, bij de Gloriette, ligt de tweede // vijver – een smaragd die in een ring / van kiezelpaden is gevat.’ Het beeld dat hij gebruikt, noemt hij zelf een poëtische gemeenplaats. Door het gebruik van clichés kan echter geen inzicht of waarlijk begrip tot stand komen – ze zetten niet aan het denken. Om die reden serveert de dichter hier zijn eigen metafoor af als mislukt. Tegelijk kan de opmerking in dit laatste gedicht geëxtrapoleerd worden naar de drie gedichten die de bundel afsluiten en gelden voor de gehele bundel. Het beeld van Wenen is in hoge mate een clichébeeld, met de beschrijving van de voor de hand liggende hoogtepunten die een toerist ook zou bezoeken, en dat terwijl de lezer van poëzie nu net op zoek is naar onbekende inzichten, verrassende visies. Een manier waarop Spinoy dat probeert te bereiken, is het ontwrichten van vaststaande uitdrukkingen (clichés in de taal, dus, die door hun verstening zinledig zijn geworden), zoals bijvoorbeeld in ‘Dan wordt hij wakker als een roos’ (in plaats van ‘slapen als een roos’, Spinoy, 1986, p. 9), ‘Een terugkeer // met de noorderzon’ (tegenover ‘vertrekken met de noorderzon’, Spinoy, 1986, p. 29) of ‘De kleur van de metalen kruisen // is met de grond gelijkgemaakt’ (waarbij ‘met de grond gelijkmaken’ hier niet ‘verwijderen’ betekent, maar ‘lijken op’, Spinoy, 1986, p. 42).

Ten slotte wil ik nog extra aandacht besteden aan het slotgedicht van de bundel, ‘Het land’. In zijn beschouwing over de bundel meent Ad Zuiderent dat in de drie laatste gedichten Wenen op de achtergrond verdwijnt ten voordele van de universalisering van de thematiek (Zuiderent, 2009, p. 182). Dat ben ik met hem oneens. In het laatste vers laat de dichter de stad en het land achter nadat hij een poging heeft ondernomen om ze met behulp van zijn interpretatie ervan nieuw leven in te blazen. De gedichten in de bundel zijn daarvan de uitdrukking. ‘Het land’ beschrijft het vertrek van het lyrische ik uit Oostenrijk: ‘De weg wijkt af, de zilversparren / liggen achter je als een verleden / dat geordend werd’ (Spinoy, 1986, p. 53). De herinnering aan het verblijf in Oostenrijk is met behulp van de gedichten in de sterk geconstrueerde bundel De jagers in de sneeuw – met als architectuur afdelingen bestaande uit 3-9-9-9-3 gedichten, samen 33 verzen, het getal van de openbaring – vastgelegd. De laatste regels luiden: ‘Het land wordt roerloos / onverwisselbaar verleden.’ Nu hij weggaat, en met hem de lezer die de bundel zo meteen dichtslaat, blijft het land ‘roerloos’ (opnieuw in stilstand dus) achter en wordt het verleden tijd voor de dichter. Daarmee verzinkt Oostenrijk ook opnieuw in zijn roemruchte verleden.


Conclusie
De bekendste plaats waar Oostenrijk opduikt in de Nederlandstalige poëzie zal waarschijnlijk wel het liefdesvers ‘Ik schrijf je neer’ van Hugo Claus zijn. Nadat de minnaar de vrouw en haar uitwerking op hem beschreven heeft, en haar belooft om haar in een gedicht proberen te vatten, noteert hij in de tweede strofe:
En tegen je oor beloof ik je splinternieuwe horoscopen
En maak je weer voor wereldreizen klaar
En voor een oponthoud in een of ander Oostenrijk (Claus, 1994, 115)
Eerder dan de Alpenstaat die in deze bijdrage centraal staat, zal daarmee gedoeld worden op Oosterse landen – rijken uit het Oosten – waar de liefde sensueler beleefd wordt dan hier te lande. Daarop wijst ook de bepaling ‘een of ander’: het gaat blijkbaar niet specifiek om het genoemde land. Niettemin kan hier natuurlijk ook de staat Oostenrijk bedoeld worden, en interessant in het kader van deze bijdrage is precies dan die bepaling ‘een of ander’. Als we abstractie maken van de gedichten die voornamelijk met clichés aan de slag gaan (en dat blijken bijvoorbeeld de gedichten over Tirol te zijn), lijkt het er namelijk sterk op dat de gedichten in de Nederlandse literatuur waarin Oostenrijk gethematiseerd wordt het ene of het andere beeld weergeven: dat van het land met zijn te bewonderen cultuur of dat van een natie waarin een verwerpelijke oerconservatieve ideologie nog steeds springlevend is. Brocatus, Spinoy en Nijmeijer, die in hun bundels voornamelijk inzoomen op de hoofdstad, erkennen en bewonderen de Weense kunstuitingen; Nijmeijer, Brassinga, Van Mensel en Enquist zijn niet blind voor de extreemrechtse trekjes van de Oostenrijker.
Bibliografie

Bartosik, M. (2013). Reis tot Salzburg en Reis tot Salzburg. In M. Bartosik, Schroomruil. Verzamelde gedichten (pp. 147-148). Gent: PoëzieCentrum.

Bouma, H. (1991). Eine kleine Nachtmusik. Mozart poëtisch. Kampen: Kok.

Bouma, H. (1997). Schubertiade. Franz Schubert poëtisch. Kampen: Kok Lyra.

Brassinga, A. (1989). Wienerwald, Bei der Kreuzeiche. In A. Brassinga, Landgoed (p. 18). Amsterdam: De Bezige Bij.

Brassinga, A. (2003). Mauthausen I en II. In A. Brassinga, Timiditeiten (p. 85-86). Amsterdam: De Bezige Bij.

Brocatus, F. A. (1998). Ruiters in regenblauw. Bergen op Zoom: WEL.

Burssens, G. (2005). Jodelende Tyrolers. In G. Burssens, Alles is mogelijk in een gedicht. Verzamelde verzen 1914-1965 (p. 231). Amsterdam: Meulenhoff.

Campert, R. (1953). Februari in Salzburg. In R. Campert, Berchtesgaden (p. 19). Amsterdam: De Bezige Bij.

Claus, H. (1994). Ik schrijf je neer. In H. Claus, Gedichten 1948-1993 (p. 115). Amsterdam: De Bezige Bij.

Derrida, J. (1986). Schibboleth. Pour Paul Celan. Paris: Galilée.

Enquist, A. (2000). Mozarts uitzicht. In A. Enquist, De tweede helft (p. 15). Amsterdam: Arbeiderspers.

Hertmans, S. (1990). Wenen. In S. Hertmans, Het narrenschip (p. 57). Gent: PoëzieCentrum.

Hertmans, S. (1997). Belvédère, Wenen en Hermesvilla, Wenen. In S. Hertmans, Annunciaties (pp. 38-39). Amsterdam: Meulenhoff.

Hertmans, S. (1998). Steden. Verhalen onderweg.

Hertmans, S. (1999). Kapuziner Berg – Salzburg I en II en Maria Treu Kirche, Wenen. In S. Hertmans, Goya als hond (pp. 8-10). Amsterdam: Meulenhoff.

Kusters, W. (1989). Hoe ik na een bezoek aan de Stephansdom genezen werd van een stijven nek. In: W. Kusters, Laatst (p. 117). Amsterdam: Querido.

Lieske, T. (1988). ‘Trein bij Salzburg’. De Revisor, 15 (1-2), 24.

Lust, M. (2016). 111 Gründe, Wien zu hassen. Die Stadt so, wie sie wirklich ist. Berlin: Schwarzkopf & Schwarzkopf.

May, L. S. (1988). Wenen (1984). In L.S. May, Het depressionisme (p. 62). Amsterdam: De Bezige Bij.

Mensel, S. Van (1971). festspiele salzburg (1969). In S. Van Mensel, Syndroom (p. 38). Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar.

Nasr, R. (2006). tussen wenen en tbilisi. In R. Nasr, onhandig bloesemend (p. 12). Amsterdam: De Bezige Bij.

Nijmeijer, P. (2004). Rotgipfler. Leuven: Uitgeverij P.

Schorske, C. (1989). Wenen en het Fin de Sciècle. De crisis van het liberalisme en het ontstaan van de moderne kunst. Asterdam: Agon.

Spinoy, E. (1986). De jagers in de sneeuw. Antwerpen: Manteau.

Starre, J.H. Van der (1958). Konzert in Schönbrunn. In H. van Zuiden, Boem Paukeslag! De mooiste muziekgedichten (p. 17). Amsterdam: Maarten Muntinga.

Uffelen, H. Van (1998). Wien, Wien, ja du allein. In H. Van Uffelen, M. Hünning & U. Vogl (Hrsg.), Wien, Wien, nur du allein…? Niederländische und flämische AutorInnen über Wien (pp. 3-18). Wien: Institut für Germanistik/Nederlandistik.

Vestdijk, S. (1971). Verzamelde gedichten I. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep.

Weeda, A. (2011). Het mysterie van Wenen. De creatieve zelfvernietiging van een vermolmd keizerrijk. Amsterdam: De Bezige Bij.

Weemoedt, L. (1998). Dijenkletser doet Alpengletscher. In: L. Weemoedt, Van harte beterschap (p. 113). Amsterdam: Pandora.



Zuiderent, A. (2009). Het klad van een recensie. Over De jagers in de sneeuw (1986) van Erik Spinoy. In D. De Geest, M. Van Vaeck en P. Couttenier (red.), ‘Ergens beginnen’. Bijdragen over Nederlandse poëzie (1967-2009) voor Hugo Brems bij zijn emeritaat (pp. 178-186). Leuven: Peeters.

1 Het gedicht ‘Konzert in Schönbrunn’ (Van der Starre, 1998, p. 17) vermeldt wel een plaats, maar behandelt een luisterervaring. Ook het gedicht van Nasr, ‘tussen wenen en tbilisi’ (Nasr, 2006, p. 12) gaat dan weer over Johannes Brahms.

2 In een recent boek over Wenen, 111 Gründe, Wien zu hassen, worden bijvoorbeeld als redenen opgegeven: ‘Weil Wien die Habsburger immer noch zurück will’, ‘Weil Wien der Welt immer noch um Jahre hinterherhinkt’, of ‘Weil Reaktionären hier immer noch die größte Lobby haben’ (Lust, 2016, 5).

3 Die twee kanten van de stad zijn ook terug te vinden in het Wenen-gedicht van Wiel Kusters. Daarin beslist de ik-figuur om niet de toren van de Stephansdom te bezoeken, maar het pestgraf onder het domplein, waar hij geconfronteerd wordt met ‘schedels / zonder nek / sprokkelgebeente / gruis achter hek’ (Kusters, 1989, p.). Dat aanschouwt hij met zoveel empathie (‘Ik brokkelde mee’) dat het hem van zijn stijve nek geneest.

4 Iets soortgelijks lijkt ‘Februari in Salzburg’ van Remco Campert te evoceren: ‘De sneeuw smelt, het kasteel / Blijkt van oude grijze steen te zijn. / De legerauto / Rijdt er blij onder door.’ Vervolgens gaat het gedicht op zoek naar de dichter, die op een brug een slechte sigaret staat te roken. Slotregel luidt: ‘O wat ziet hij bleek!’ (Campert, 1953, 19) Het legervoertuig in de buurt van het kasteel lijkt hem bang of zelfs misselijk te maken.

5 Ook het gedicht van Lizzy Sara May combineert de grote namen uit de geschiedenis van Wenen met het besef van het naziverleden: ‘hier woonde Mozart, Schubert, Mahler / en Freud’s Dora op de divan’ tegenover ‘de Rozentuin bewaart de mijmeringen / van de nazi’s geur van bloed gerooid / tot vaag parfum voor de synagoge / een agent in aanslag’ (May, 1988, p. 62).

6 Overigens baadt ook Salzburg, in de gedichten van Michel Bartosik althans, in een decadente sfeer: de Donau is er ‘laag / en zwart’, ‘de avond / is zoals alles voorgeproefde dood’ en ‘eindelijk / is het hart breekrijp’ (Bartosik, 2013, p. 148).

  • Clichés over Tirol
  • Bewondering voor de kunst, ontsteltenis over het gedachtegoed
  • Wenen, een neoromantisch decor 6
  • Bibliografie

  • Dovnload 66.26 Kb.