Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Dying well: Oplossingsgericht spreken over leven en dood

Dovnload 194.75 Kb.

Dying well: Oplossingsgericht spreken over leven en dood



Pagina1/6
Datum07.06.2017
Grootte194.75 Kb.

Dovnload 194.75 Kb.
  1   2   3   4   5   6

Dying well: Oplossingsgericht spreken over leven en dood.

Vroegtijdige zorgplanning (in het woonzorgcentrum) vanuit een oplossingsgericht denkkader.

Anneleen Giedts

Eindwerk in het kader van de afronding van de therapieopleiding oplossingsgerichte cognitieve therapie, Korzybski instituut Brugge



http://gey4641.files.wordpress.com/2013/11/death-and-dying1.png?w=585

Inhoudstabel

Verantwoording en dankwoord

Inleiding

Hoofdstuk 1: Basisprincipes van oplossingsgericht werken.

Hoofdstuk 2: Vroegtijdige zorgplanning

Hoofdstuk 3: Oplossingsgericht werken met ouderen: over uitdagingen voor de derde leeftijd

Hoofdstuk 4: Oplossingsgerichte vroegtijdige zorgplanning: Hoe spreken met ouderen rond leven en dood?

Extra: Therapeutische gesprekken rond het levenseinde: een uitstapje met Insoo Kim Berg

Besluit

Referenties



Bijlagen


You can call me al (Paul Simon)

A man walks down the street


He says why am I soft in the middle now
Why am I soft in the middle
The rest of my life is so hard
I need a photo-opportunity
I want a shot at redemption
Don't want to end up a cartoon
In a cartoon graveyard
Bonedigger Bonedigger
Dogs in the moonlight
Far away my well-lit door
Mr. Beerbelly Beerbelly
Get these mutts away from me
You know I don't find this stuff amusing anymore

If you'll be my bodyguard


I can be your long lost pal
I can call you Betty
And Betty when you call me
You can call me Al

A man walks down the street


He says why am I short of attention
Got a short little span of attention
And wo my nights are so long
Where's my wife and family
What if I die here
Who'll be my role-model
Now that my role-model is
Gone Gone
He ducked back down the alley
With some roly-poly little bat-faced girl
All along along
There were incidents and accidents
There were hints and allegations

If you'll be my bodyguard


I can be your long lost pal
I can call you Betty
And Betty when you call me
You can call me Al
Call me Al

A man walks down the street


It's a street in a strange world
Maybe it's the Third World
Maybe it's his first time around
He doesn't speak the language
He holds no currency
He is a foreign man
He is surrounded by the sound
The sound
Cattle in the marketplace
Scatterlings and orphanages
He looks around, around
He sees angels in the architecture
Spinning in infinity
He says Amen and Hallelujah!

If you'll be my bodyguard


I can be your long lost pal
I can call you Betty
And Betty when you call me
You can call me Al
Call me Al

Verantwoording en dankwoord

Een tijdje geleden werd ik gevraagd om een opleiding te geven rond vroegtijdige zorgplanning. De vraag kaderde binnen een project van de Koning Boudewijnstichting, opgestart door een huisarts in de Tiense regio. Het project heeft betrekking op het implementeren van de methodiek van vroegtijdige zorgplanning of advanced care planning bij ouderen in woonzorgcentra. Voor deze implementatie werd een vorming voorzien voor geïnteresseerde medewerkers van de woonzorgcentra in de regio. Ik werd waarschijnlijk verblind door mijn enthousiasme, ik geef immers graag opleidingen, toen ik volmondig ‘ja’ antwoordde. Pas op een later ogenblik begon me te dagen dat ik rond het onderwerp in kwestie absoluut geen expertise heb. Ik werk als psycholoog onder andere op een afdeling gerontopsychiatrie en wordt daar wel dagelijks geconfronteerd met psychisch en ook fysiek zieke mensen en af en toe dringt ook de confrontatie met het levenseinde, de dood van patiënten zich op. Heb ik daarom enige kennis van het onderwerp vroegtijdige zorgplanning? Neen. Geen expertise, geen ervaring. In de maanden die volgden op de vraag om opleiding te geven heb ik me dan ook verdiept in het thema door te lezen en te spreken met collega’s hierover.

Ik ben wel geïnteresseerd in de thema’s van dood en sterven, ik vermoed het logische gevolg van mijn interesse in het leven van mensen, wat daarin belangrijk is, van essentie… In mijn werk met ouderen word ik misschien meer dan collega-psychologen, geconfronteerd met dood(-gaan). Heel wat van de patiënten die ik in de kliniek zag passeren zijn ondertussen overleden, sommige ook op de afdeling zelf. Natuurlijk werd ik gevraagd voor dit project omwille van mijn ervaring in het werken met ouderen, maar gerontopsychologie en vroegtijdige zorgplanning… “Ouderen hebben best nog wel andere dingen te doen in het leven dan enkel sterven!”. Ik houd dit motto graag aan als uitgangspunt voor dit eindwerk en als essentie in het spreken rond vroegtijdige zorgplanning. Want meer dan iets anders ga ik trachten te laten zien hoe spreken rond het levenseinde vooral een spreken rond het leven is. Het is spreken rond wat en wie belangrijk is in het leven van de ouderen. Het is spreken rond waarden en visie, rond wat iemand bereikt heeft en wil bereiken. Het is spreken rond hoe het leven zinvol is geweest en hoe het dat ook nu is en kan zijn, gegeven soms zeer moeilijke omstandigheden én de aantasting van de fysieke integriteit. En natuurlijk is het ook een spreken rond hoe het leven op een waardevolle manier kan afgerond worden. ‘Dying well’ als centrale doelstellling (om met de woorden van Insoo Kim Berg te spreken) en, zoals we zullen zien, onlosmakelijk verbonden met ‘living well’.

Dying well, in enge zin, heeft betrekking op vragen als : Hoe sterven mensen? Welke keuzes hebben ze hier zelf in te maken - als ze niet per ongeluk doodgaan zoals Bert Keizer stelt dat meestal het geval is (2013)? Hoe verkiezen ze te sterven: waar en onder welke omstandigheden? Of maken ze daar net liever geen keuzes rond?...

Het thema van dit eindwerk is dan hoe men vragen aan anderen kan stellen rond deze thema’s? Kan je op een oplossingsgerichte manier spreken rond vroegtijdige zorgplanning? De bestaande literatuur rond vroegtijdige zorgplanning laat een zeer enge medisch invalshoek zien. Vroegtijdige zorgplanning wordt toegespitst op welke ‘zorgen’ iemand nog wenst, of net niet meer wenst, indien hij of zij ernstig ziek wordt. Hoewel alom benadrukt wordt dat de communicatie centraal staat, lijkt vroegtijdige zorgplanning in de praktijk toch voornamelijk beperkt en verengd te worden tot het invullen van documenten en het toekennen van codes. Deze medische invalshoek zou mijns inziens wel eens de doodsteek voor vroegtijdige zorgplanning kunnen zijn. Wie wenst immers rond zulk een beperkt, en laat ons eerlijk zijn, toch ook bedreigend thema te praten. Bij de ouderen waar wij ons op hebben gericht in de eerder vernoemde opleiding heeft zulk gesprek dan nog eens plaats een aantal weken na een ingrijpende verhuis naar een ‘rusthuis’, in het publieke discours niet de meest hippe plaats om zijn oude dag door te brengen en ook de laatste stap in een mensenleven…

Misschien toch nog even uitleggen wat maakt dat ik dit eindwerk start met de tekst van het nummer ‘You can call me Al’ (Paul Simon)? Dit vrolijk klinkende nummer heeft betrekking op ons thema, in die zin dat het spreekt over doodsangst, over angst om niets betekend te hebben in deze wereld (Don't want to end up a cartoon, in a cartoon graveyard). Het nummer spreekt echter ook over de redding uit deze angst, namelijk de verbondenheid met anderen (If you’ll be my bodyguard, I can be your long lost pal). Een inzicht dat niet alleen Paul Simon, maar ook andere auteurs zoals psychiater Yalom (Tegen de zon in kijken,…) onderschrijven.

Ik moet hier toch ook nog een aantal mensen bedanken. Eerst en vooral wil ik graag Dr. Luc Isebaert en alle stafleden en opleiders aan het Korzybski instituut bedanken om mij de kans te geven de opleiding oplossingsgerichte therapie te volgen. Het heeft me opleidingsdag na opleidingsdag, en jaar na jaar, verwonderd hoeveel energie, werklust en inspiratie de opleiding mij geboden heeft.

Ik bedank ook al mijn studiegenoten voor de interessante gesprekken, goede ideeën en vooral ook voor de fijne middagpauzes. Op deze manier deed de opleiding nog meer deugd.

Ik bedank Dr Reniers om de vraag te stellen om de opleiding rond vroegtijdige zorgplanning te geven en mij zo op het spoor van dit boeiende thema te brengen; Anton Stellamans om mij te laten kennismaken met het werk van Bert Keizer en Liselotte Baeijaert om mij de opname ‘Dying Well’ van Insoo Kim Berg te bezorgen.

Mijn man Piet wil ik bedanken voor de tijd die ik heb gekregen om de opleiding te volgen en voor zijn hulp in mee denken over de inhoud van dit eindwerk, voor zijn kritische bemerkingen en aandacht voor de literaire aspecten.

Ik dank mijn dochter Stine om mij elke dag te laten zien wat belangrijk is in het leven en om mijn leven op die manier ook belangrijker te maken. En ten slotte dank ik heel graag ons ongeboren kindje, om nog even geduld te hebben wat betreft dat geboren worden en zo het succesvol afronden van dit eindwerk mogelijk te maken.

Inleiding

Vroegtijdige zorgplanning… het klinkt misschien niet bepaald hip, maar in de literatuur rond gezondheidszorg neemt dit concept in de laatste jaren een steeds grotere plaats in. Er worden documenten ontwikkeld, protocollen uitgeschreven, bevragingen opgestart (oa rond tevredenheid van patiënten en familieleden die gewerkt hebben met hulp- en zorgverleners rond hun vroegtijdig zorgplan) en wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd rond het topic.

In essentie draait het bij vroegtijdige zorgplanning om het denk- en communicatieproces tussen professionele hulpverleners (artsen, verpleegkundigen, enz) en patiënten en hun familie rond toekomstige zorg en voorkeuren van de patiënt.

De focus van al de acties rond VZP is vrij breed, gezien vroegtijdige zorgplanning aan bod kan komen in verschillende situaties, gaande van jonge, gezonde mensen die nadenken over hun gewenste toekomst, over de persoon die geconfronteerd wordt met een diagnose van een ernstige, mogelijks levensbedreigende aandoening, tot de oudere die opgenomen wordt in een woonzorgcentrum. Het is op deze laatste groep, ouderen in een WZC, dat onze focus komt te liggen binnen dit eindwerk.

Wij worden steeds ouder (Piers et al., 2013). 15% van de Europese bevolking is ouder dan 65 jaar en rond 2050 zal zo’n 26% de leeftijd van 65 of ouder bereikt hebben. Ook het aandeel oude ouderen (+80j) neemt toe. De meerderheid van mensen die sterven is tevens boven 65jaar. Het profiel van de stervende oudere verschilt erg van dat van de stervende jongere (Piers et al., 2013): zij sterven vaker in een instelling, hebben vaak meerdere aandoeningen, functiebeperkingen en cognitieve schade. Cardiovasculaire aandoeningen, dementie en algemene achteruitgang (cfr. frailty) zijn de meest voorkomende doodsoorzaken bij ouderen, eerder dan kwaadaardige aandoeningen of specifieke ziekten.

Vele studies tonen echter aan dat binnen geriatrische populaties er vaak een minder kwaliteitsvolle zorg aan het levenseinde geboden wordt, hoewel daar dus het meest gestorven wordt. Vroegtijdige zorgplanning wordt dan ook aangemoedigd als een manier om de kwaliteit van zorg en sterven te verbeteren (Piers et al, 2013). Vanuit het overlopen van de literatuur rond het thema vroegtijdige zorgplanning wordt echter snel duidelijk dat zorgverleners blijvend moeilijkheden ervaren in het spreken rond het thema. In dit eindwerk trachten we naast een overzicht van wat praktische aspecten rond VZP, stil te staan bij hoe we op een aangename manier het gesprek rond VZP kunnen aangaan. Op welke manier gaan we dit proces aan met anderen, hoe vinden we aansluiting, hoe betrekken we de familie, welke vragen kunnen we stellen en met welke randvoorwaarden houden we best rekening?

We overlopen in de komende hoofdstukken een aantal onderwerpen. In hoofdstuk 1 staan we stil bij de basisprincipes van oplossingsgericht werken of oplossingsgerichte therapie.

Binnen hoofdstuk 2 gaan we in op het begrip van vroegtijdige zorgplanning - Wat is het? Waarover gaat dit? - en op de huidige onderzoeksliteratuur rond het thema. Hoewel dit thema zeker betrekking heeft op mensen van alle leeftijden en leeftijdsgroepen richten we ons binnen dit eindwerk voornamelijk op ouderen (+65-jarigen) en meer bepaald op ouderen die opgenomen worden in het WZC.

We richten ons in hoofdstuk 3 op het proces van verouderen en de uitdagingen waar wij allen komen voor te staan met het stijgen van de leeftijd. Hopelijk maken we hier ook komaf met een aantal achterhaalde stereotypen rond ouder worden en de derde (en vierde) leeftijd.

In hoofdstuk 4 gaan we trachten het concept van vroegtijdige zorgplanning te benaderen vanuit een oplossingsgerichte invalshoek. Dit wil vooral zeggen dat we zullen bekijken hoe het oplossingsgericht werken een meerwaarde en misschien accentverschuiving kan betekenen voor vroegtijdige zorgplanning.



Hoofdstuk 1: Basisprincipes van oplossingsgericht werken1

De geschiedenis van oplossingsgerichte therapie

Oplossingsgerichte therapie kwam in de jaren ’80 tot stand langs samenwerking en kruisbestuiving tussen de grondleggers in de VS, vanuit het Milwaukee instituut, en het Korzybski instituut te Brugge. Nagenoeg parallel ontwikkelden beide groepen het oplossingsgericht werken. Een toevallige ontmoeting tussen de twee instituten te Parijs (Dr. Isebaert en Steve Deshazer kruisten elkaar daar) resulteerde in een blijvende samenwerking (zo waren Steve Deshazer en Insoo Kim Berg vaste stafleden van het Korzybski instituut).

In de Verenigde Staten werd oplossingsgerichte therapie ontwikkeld vanuit het Brief Family Therapy Center in Milwaukee in de VS. Insoo Kim Berg en Steve de Shazer worden gezien als de voornaamste grondleggers. Zij inspireerden zich op ideeën en bevindingen van Watzlawick en collega’s, Bateson en de praktijken van Erickson (Bannink, 2005).

In België werd de oplossingsgerichte therapie uitgewerkt door Luc Isebaert, in samenwerking met Myriam Le Fevere de Ten Hove, Erwin Debisscop en Marie-Christine Cabie (Parijs). Het zogenaamde Brugse model (“The Bruges group”) wordt door van Dijck (Isebaert, 2007) omschreven als een metamodel waarin zowel systemische therapie, korte therapie en therapie alla Milton Erickson geïntegreerd worden en dit ten voordele van de samenwerkingsrelatie met de cliënt, die eenvoudiger en doelmatiger wordt. Het is een metamodel, meer gericht op het procedurale dan wel op het inhoudelijke niveau van therapie.

Het Korzybski-instituut liet Nederland, Duitsland, Frankrijk en Spanje kennismaken met oplossingsgericht werken en introduceerde de Milwaukee-groep in die landen.

In het Brugse model neemt het concept van ‘keuze’ een centrale plaats in. Therapie is dan het proces waarbij er een uitbreiding van semantische en pragmatische keuzes bij de cliënt plaatsvindt. We gaan hier later nog even verder op in. Ook gaat men op zoek naar de handleiding van de cliënt om dan de cliënt te leren zijn handleiding te gebruiken teneinde zijn doel te bereiken.

Oplossingsgerichte therapie is niet onmiddellijk gebaseerd is op een theoretische achtergrond, maar werd voornamelijk ontwikkeld vanuit observaties rond wat werkt en nuttig blijkt in gesprek met cliënten.

Langs het observeren van wat werkt binnen therapeutische gesprekken kwamen volgende uitgangspunten tot stand:


  • Oplossingen behoren tot een andere klasse dan problemen. Analyse van problemen is in die zin niet steeds noodzakelijk, een analyse van de oplossingen daarentegen wel. Waar iemand naartoe wil wordt niet zomaar bepaald door het vertrekpunt.

  • De cliënt is expert, hij bepaalt het doel en de weg daarnaartoe.

  • Wat niet stuk is, moet je niet maken: Het is beter om datgene wat goed draait, in de beleving van de cliënt, te respecteren en niet trachten te veranderen.

  • “Als iets werkt, ga er mee door”.

  • “Als iets niet werkt, doe dan iets anders”: Meer van hetzelfde leidt meestal niet tot het door de cliënt gewenste resultaat.

Vanuit filosofisch oogpunt bouwt oplossingsgerichte therapie verder op het sociaal constructivisme. Hier wordt gesteld dat wat een individu voor waar aanneemt (zoals ideeën over zijn problemen en competenties) geconstrueerd wordt in communicatie met anderen. Verandering houdt dan verband met het vermogen om de dingen anders te gaan zien en dat vermogen wordt net aangewakkerd in het oplossingsgerichte gesprek door de focus op de gewenste toekomst en de reeds aanwezige uitzonderingen op problemen (Bannink, 2010).

Oplossingsgericht werken heeft veel raakvlakken met de positieve psychologie zoals deze ontwikkeld werd door Seligman in de jaren ‘70. Positieve psychologie vertrekt vanuit de sterke kanten van de cliënt in de aanname dat geluk te vinden is door de focus op sterktes aan te houden en niet het gevolg is van de juiste genen of toeval (Bannink, 2005). Beide benaderingen zijn stromingen binnen de positieve benadering van verandering, maar verschillen ook van elkaar. De positieve psychologie is academisch van aard, gericht op opbouw van kennis, terwijl de oplossingsgerichte benadering meer betrekking heeft op de pragmatische toepassing van principes en interventies gericht op wat werkt. Oplossingsgerichte therapie interesseert zich in specifieke, persoonsgebonden, situaties terwijl positieve psychologie wil uitzoeken wat in het algemeen werkt voor mensen en zo ook theorieën produceert die getest kunnen worden. Nog een onderscheid van belang, is dat oplossingsgerichte therapie interactioneel is: het focust op wat er gebeurt tussen mensen, op de interactie. Positieve psychologie focust meer op wat er gebeurt in het hoofd van mensen (cfr concepten als motivatie, drive, overtuigingen en waarden).

Oplossingen versus problemen

Men kan niet tweemaal in dezelfde rivier stappen, want er vloeit steeds ander water door” Heraclitus (500B.C.)

In het begrijpbaar maken van wat oplossingsgerichte therapie, of algemener oplossingsgericht werken, inhoudt, is het mijn ervaring dat dit het makkelijkst is wanneer we vertrekken vanuit het onderscheid tussen een probleemgerichte en een oplossingsgerichte benadering.

Heel wat therapiestromingen zijn als probleemgericht te benoemen. Ze vertrekken vanuit het probleem (of ongewenste gedrag) en een inventarisatie hiervan: “Welke klachten heeft iemand? Wanneer doet het probleem zich voor?; Wanneer is het erger?; Wat is de oorzaak van de problemen?”. Behandeling bestaat uit het verminderen of laten verdwijnen van het probleem.

Binnen een oplossingsgerichte benadering wordt tevens aandacht gegeven aan het probleem. Het probleem is immers datgene wat de cliënt tot bij de therapeut brengt en verdient daarom de nodige aandacht. Zeer snel echter wordt de focus meer gelegd op wat de cliënt graag in de plaats van dit probleem wenst. De aandacht gaat uit naar de gewenste toekomst, het doel dat de cliënt voor ogen heeft. Oplossingsgerichte therapie is met andere woorden gericht op het gewenste gedrag eerder dan op het verminderen van probleemgedrag (Bannink, 2005). Het produceren van gewenst gedrag vermindert immers het probleemgedrag. Hierbij zal de therapeut bekijken wanneer zich uitzonderingen op het probleem hebben voorgedaan (wanneer was het probleem niet aanwezig of minder erg?), welke ‘oplossingen’ of acties de cliënt reeds heeft bedacht en ondernomen, wat werkzaam is geweest en hoe meer van wat werkt aan bod kan komen. De idee is hier dat datgene wat aandacht krijgt groeit. Focussen op problemen versterkt, met andere woorden, de problemen, terwijl focussen op gewenst gedrag, het gewenste gedrag zal versterken (cfr. Een tuin waar het onkruid water krijgt of een tuin waar de bloemen water krijgen).

Oplossingsgerichte therapie is een gezondheids-, toekomst- en doelgerichte benadering en vestigt de aandacht op krachten en sterktes van de cliënt en zijn systeem. Er wordt getracht zo nauw mogelijk aan te sluiten bij het perspectief van de cliënt en zijn wensen en noden.

De therapeut is niet de expert over de cliënt, dat is de cliënt immers zelf. De therapeut is veeleer expert in het motiveren van gedragsveranderingen en het toepassen van positieve bekrachtiging in de gesprekken met de cliënt rond zijn of haar gewenste toekomst (Bannink, 2010). Dit doet de therapeut door vragen te stellen die de cliënt helpen zijn gewenste doel duidelijk en realistisch te omschrijven en zijn eigen oplossingen te ontdekken en versterken.

Het stilstaan bij oplossingen en sterktes van de cliënt biedt een aantal voordelen. Klaver en Bannink (2010) geven aan dat de oplossingsgerichte benadering zorgt voor positiviteit bij cliënten. Het werkt empowerment in de hand door de cliënt zelf actief te maken in het vormgeven van zijn leven en het formuleren van doelen maakt dat hoop op verandering wordt gegenereerd.

We kunnen een aantal basisprincipes onderscheiden binnen het oplossingsgericht werken (zie ook eerder de uitgangspunten rond oplossingsgerichte therapie). De oplossingsgerichte benadering gaat uit van autopiëtische of zelfhelende eigenschappen. Dit komt neer op de idee dat iedereen in zich resources of krachtbronnen en competenties heeft in het omgaan met problemen. Deze eigenschappen zijn voor iedereen uniek gezien iedereen anders in elkaar zit en zich bovendien in een andere context bevindt. De taak van de therapeut betreft dan de cliënt te helpen in het ontdekken en gebruiken van deze eigenschappen om zijn doel te bereiken.

Problemen en oplossingen behoren tot verschillende categorieën (Bannink, 2010). In oplossingsgerichte therapie wordt als het ware een naturalistische trance geïnduceerd door de cliënt scenario’s te laten omschrijven in verband met de door hem gewenste toekomst. Bij een probleemgerichte aanpak wordt een gelijkaardige trance geïnduceerd van de niet-gewenste situatie. Welke situatie door de trance versterkt wordt is belangrijk gezien de waarschijnlijkheid dat de cliënt ook zo gaat handelen ( cf. de self-fulfilling prophecy).

We gaan ervan uit dat er altijd verandering is (Bannink, 2010). De vraag is dan niet of, maar wel wanneer deze verandering zal optreden. Bovendien is vaak slechts een kleine verandering noodzakelijk als stap in een hele reeks van veranderingen.

Zoals gezegd staat binnen het Brugse model het concept van keuze meer centraal (Isebaert, 2007). Therapie is het binnenbrengen van de mogelijkheid tot kiezen in de beleving van de cliënt. Problemen ontstaan wanneer cliënten vast komen te zitten in bepaalde patronen van denken, doen en voelen. Pathologie begint daar waar mensen niet langer het gevoel hebben nog keuze te hebben. Het Brugse model gaat uit van een samenhang tussen het waarnemen van de realiteit, het toekennen van betekenis hieraan en het nemen van beslissingen rond handelingen (Isebaert, 2007). Indien mensen beperkt zijn in hun semantische keuzes zullen de pragmatische keuzes even beperkt schijnen. Zo zal een cliënt met hypochondrische klachten hartkloppingen interpreteren als een teken van hartfalen en vanuit deze angstige gedachte medische hulp zoeken. Pas wanneer deze cliënt een keuze kan maken voor een andere betekenis zal hij gerustgesteld worden door de huisarts. Therapie kunnen we aldus zien als het verbreden van semantische en pragmatische keuzes of met andere woorden als de cliënt helpen te kiezen voor het kiezen.

De samenwerkingsrelatie staat centraal binnen oplossingsgerichte therapie. Er wordt veel aandacht besteed aan welk mandaat de therapeut krijgt in het werken met de cliënt en dus staat het uitbouwen van de samenwerkingsrelatie voorop. Binnen oplossingsgerichte therapie wordt mandaat voornamelijk verworven door nauw aan te sluiten bij de cliënt en diens vragen, beleving en visie (cfr joinen) en door gebruik te maken van het principe van positieve bekrachtiging (cfr. oplossingsgericht werken als een ‘tap on the schoulders’). De therapeut stelt zich hierbij eerder nederig op en zal wel procesmatig de leiding nemen, maar op inhoudelijk vlak steeds de cliënt volgen (“leading from behind”).

Le Fevere de Ten Hove (2007) geeft volgend stroomschema als leidraad voor de therapeut. Afhankelijk van de samenwerkingsrelatie, die natuurlijk aan verandering onderhevig is, kan de therapeut de gesprekken vorm geven. Op deze manier kan ook het begrip weerstand beter omkaderd worden: weerstand wordt door een oplossingsgericht therapeut voornamelijk gezien als communicatie vanuit de cliënt waarbij deze aangeeft dat er iets fout zit, dat hulpverlener en cliënt niet op dezelfde lijn zitten. Het aftoetsen van waar een cliënt zich bevindt binnen het stroomschema kan een grote hulp zijn om af te stemmen.



Fig1: Brugs stroomschema voor de therapeutische relatie

Ik sta graag even stil bij dit stroomschema omdat het ook binnen vroegtijdige zorgplanning een plaats heeft.

Het stroomschema vertrekt vanuit de positie van de cliënt. Wanneer een cliënt voor ons komt te zitten vragen we ons in eerste instantie af of datgene wat hem tot bij ons brengt behoort tot de categorie van problemen dan wel die van beperkingen. Dit is belangrijk gezien we ons bij de categorie van beperkingen meer zullen richten op hoe de gewenste toekomst vorm kan gegeven worden ondanks belemmeringen en hindernissen en hoe de cliënt deze belemmeringen tevens kan leren verdragen. Beperkingen kunnen van allerlei aard zijn zoals biologische beperkingen als leeftijd en fysieke beperkingen; sociaal-culturele beperkingen zoals onze opvoeding of het tijdperk waarin we leven. Maar ook trauma’s uit het verleden of bepaalde beslissingen die we eerder namen kunnen beperkend zijn naar onze gewenste toekomst toe. Natuurlijk is de aanmeldingsvraag haast nooit zwart-wit en bestaan de meeste moeilijkheden deels uit problemen en deels uit beperkingen (Isebaert, 2007).

Vervolgens bekijken we in contact met de cliënt of hij/zij al dan niet zelf een hulpvraag brengt. Indien de cliënt zelf geen hulpvraag stelt (zoals vaak het geval is bij personen met alcoholafhankelijkheid of psychosomatische klachten), zullen we vooral investeren in het geven van informatie en het opbouwen van een band met de cliënt en dit ten einde een hulpvraag te creëren. We gaan ervan uit dat de meeste mensen wel degelijk een behoefte aan hulp hebben, maar goede redenen hebben om deze vraag niet zelf te stellen (bijvoorbeeld geen oplossing zien voor problemen) (Isebaert, 2007). Binnen oplossingsgerichte therapie gaan we dus steeds uit van een bereidheid tot samenwerking vanwege de cliënt. Iedere cliënt heeft weliswaar zijn specifieke manier van samenwerking, waarop de therapeut zich dient af te stemmen.

Wanneer de cliënt wel een hulpvraag stelt is de vraag aan de orde of deze hulpvraag werkbaar is. Dit is het geval wanneer de hulpvraag op inhoudelijk vlak realistisch is (d.i. realiseerbaar) en voldoende van belang voor de cliënt. Verder dient de hulpvraag betrekking te hebben op een vrij moeilijk te bereiken doel en tegelijkertijd dient de hulpvraag voldoende klein te zijn, teneinde de kans op slagen te vrijwaren. Qua vorm dient de hulpvraag geformuleerd te worden in termen van de aanwezigheid van iets (bijvoorbeeld een gezonde levensstijl in plaats van stoppen met roken). Een werkbare hulpvraag schetst een scenario van het gewenste gedrag: wat doet de cliënt anders als het probleem voldoende opgelost is? Binnen de zoekende relatie is de hulpvraag (nog) niet werkbaar. Dit is het geval wanneer de cliënt de “oorzaak” van problemen buiten zichzelf legt. Hij erkent dat er een probleem is, maar verwacht bijvoorbeeld dat de oplossing van anderen moet komen (de therapeut of personen uit de omgeving), heeft het gevoel hebben geen enkele controle te kunnen uitoefenen (“het overkomt mij”) of presenteert zich met een zeer vage hulpvraag. In dit geval focussen we binnen therapie aan het werkbaar maken van de hulpvraag.

Bij cliënten die een hulpvraag stellen en zelf inzien dat zij bij zichzelf dienen te zoeken naar oplossingen voor het probleem (de consulterende relatie), bekijken we in oplossingsgerichte therapie of zij een goed zicht hebben op hun resources in het omgaan met de zich stellende problemen en of zij deze resources goed kunnen hanteren. Vaak zal de therapeut hier werken rond technieken die de cliënt kan inzetten om zijn hulpbronnen optimaal in te zetten (Isebaert, 2007).

Cliënten die wel een goed zicht hebben op hun krachtbronnen en deze in het algemeen goed kunnen benutten, zitten in de co-expertenrelatie. Het gaat hier dan eigenlijk om het eindpunt in therapie waarbij de cliënt enkel nog langskomt om zijn vaardigheden en vooruitgang te consolideren.


  1   2   3   4   5   6

  • Inhoudstabel
  • Hoofdstuk 1: Basisprincipes van oplossingsgericht werken

  • Dovnload 194.75 Kb.