Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De verzorgingsstaat in crisis

Dovnload 18.52 Kb.

De verzorgingsstaat in crisis



Datum31.10.2017
Grootte18.52 Kb.

Dovnload 18.52 Kb.


De verzorgingsstaat in crisis


Inleiding voor de jaarvergadering van docenten maatschappijleer, 7 februari 2003, Zwolle
Op 1 januari 1984 werden alle sociale uitkeringen en de ambtenarensalarissen in Nederland met 3% verlaagd. Deze verlaging luidde een onafgebroken periode van inmiddels bijna 20 jaar van plannen voor, discussie over en ingrepen in de verzorgingsstaat in. De komende jaarwisseling kunnen we dan ook met enig recht het twintigjarige jubileum van de crisis van de verzorgingsstaat vieren. In deze 20 jaar zijn de meest uiteenlopende plannen en plannetjes de revue gepasseerd: ministelsel, tweetrajectenstelsel, basisstelsel, basisinkomen en nog heel wat meer, waarvoor minder aansprekende namen werden bedacht. Het einde van de discussie en plannenmakerij is nog niet in zicht. De discussie over bijv. de bijstand en de werkloosheidswet (WW) mag dan even zijn verstomd, de WAO vormt nog altijd de achilleshiel van het Nederlandse sociale stelsel en momenteel zijn ook het pensioenstelsel en het ziektekostenstelsel zorgenkinderen.

Hoe valt te verklaren dat vrijwel direct nadat de opbouw van de verzorgingsstaat zijn voltooiing naderde er crisis uitbrak en er sindsdien nog vrijwel uitsluitend in termen van beheersing, bezuinigingen, sanering en herzieningen over wordt gesproken?



Financiële crisis


De belangrijkste reden voor de verlaging en bevriezing van de uitkeringen in de jaren tachtig was de beheersing van de uitgaven voor de sociale zekerheid. Toen het stelsel van sociale zekerheid was voltooid met de invoering van de AAW in 1976 [?] bleek het beroep op de sociale zekerheid zo sterk toe te nemen dat de financiële houdbaarheid in gevaar kwam. De uitgaven voor de sociale zekerheid stegen van …% in … naar …% in … Dit beleid was in zoverre succesvol dat vanaf … de szq begon te dalen, waardoor we nu weer terug zijn op het niveau van … Je zou zeggen dat daarmee ook een eind zou komen aan de discussie over de sz, maar het tegendeel was het geval. Blijkbaar zijn er dus ook andere redenen voor de crisis van de verzorgingsstaat.

Hoewel de szq nog steeds een dalende trend vertoont [?] neemt de angst dat de verzorgingsstaat niet duurzaam financieel houdbaar zal zijn, de laatste jaren weer toe. Nu houdt dit verband met de vergrijzing van de bevolking en het vooruitzicht dat een steeds groter deel van de bevolking een beroep zal doen op de collectieve voorzieningen (waaronder de gezondheidszorg) terwijl het deel van de bevolking dat de lasten daarvoor moet opbrengen (de werkenden) zal krimpen. De z.g. grijze druk zal sterk toenemen als de babyboomers vanaf ongeveer 2008 (als zij 62 worden) massaal met pensioen zullen gaan.



Economische crisis


Toen de financiële houdbaarheid van de verzorgingsstaat aan het eind van de jaren tachtig [?] niet meer het grootste probleem leek te zijn, verschoof de aandacht naar de economische gevolgen van een omvangrijke en genereuze verzorgingsstaat. Met de val van het communisme in Oost-Europa bereikte de neoliberale ideologie zijn hoogtepunt. Simpel gezegd komt deze ideologie erop neer dat iedere vorm van overheidsoptreden die de vrije marktwerking belemmert negatieve economische gevolgen heeft en daardoor op den duur niet houdbaar is. De centraalgeleide economieën waren daar het duidelijkste bewijs van, maar in minder extreme mate zou dit ook gelden voor de ver uitgebouwde verzorgingsstaten van West-Europa. De gedacht hierachter is simpel: mensen reageren op financiële prikkels; de verzorgingsstaat verstoort de financiële prikkels op de markt, die de schaarsteverhoudingen tot uitdrukking brengen, waardoor de allocatie wordt verstoord en er inefficiënties optreden. Bijvoorbeeld: te hoge uitkeringen ontmoedigen werklozen om een baan te zoeken, waardoor zij te lang afhankelijk blijven van een uitkering (moral hazard); te hoge belastingen en premies ontmoedigen werkenden om zich in te spannen, waardoor de economische activiteit afneemt, hetgeen een negatieve spiraal in werking kan zetten.

De neoliberale ideologie sloeg het eerste aan bij Thatcher in het VK en Reagan in de VS, maar verspreidde zich in de loop van de jaren tachtig naar de meeste westerse landen. Het resulteerde in de jaren negentig in het beleid van deregulering, marktwerking en privatisering. Na een jaar of tien, vijftien van experimenten werd het echter steeds duidelijker dat het neoliberale recept toch niet zo heilzaam is als lange tijd werd gedacht. De verklaring hiervoor is simpel: de perfecte vrije markt uit de economie-leerboekjes blijkt in de praktijk niet te bestaan, zeker niet op de markten waarvoor de verzorgingsstaat is ingericht, zoals de arbeidsmarkt en de gezondheidszorgmarkt. Dat is eigenlijk nogal vanzelfsprekend: de verzorgingsstaat was in de loop van de twintigste eeuw immers opgebouwd omdat die markten niet goed functioneerden. Daarom hebben we bijvoorbeeld geen collectieve voorzieningen voor levensmiddelen of voor auto’s of voor cd-spelers: dat zijn markten die ‘uit zichzelf’ wel redelijk goed functioneren.

In de loop van de jaren negentig werd het steeds duidelijker dat de neoliberale medicijnen geen echte oplossing bood, noch in de voormalige communistische landen waar een wildwesteconomie was ontstaan die nog inefficiënter was dan de vroegere centraalgeleide economie, noch in het westen, waar veel privatiseringen, dereguleringen en pogingen tot marktwerking evenmin efficiëntiewinst brachten, bijvoorbeeld doordat er publieke monopolies werden vervangen door private monopolies of oligopolies en echte concurrentie uitbleef.

Dit betekent niet dat de economische crisis van de verzorgingsstaat voorbij is: de kritiek op de inefficiëntie/ondoelmatigheid van de collectieve arrangementen houdt aan. Maar de critici realiseren zich nu dat een forse greep van de overheid op de betreffende sectoren noodzakelijk blijft. Dit verklaart waarom de discussie over de hervorming van het ziektekostenstelsel zo moeizaam verloopt. Enerzijds is het duidelijk dat voortgaan op de huidige weg de problemen van oplopende kosten en toenemende tekorten in de dienstverlening (wachtlijsten) niet zal oplossen, anderzijds gelooft bijna niemand meer dat pure marktwerking en deregulering de oplossing zal bieden. Er moet dus worden gezocht naar een tussenvorm die het beste van beide alternatieven combineert, maar de angst bestaat dat een compromis juist het slechtste van beide zal combineren.

Je zou echter ook kunnen concluderen dat het achteraf nogal meevalt met de ondoelmatigheid van de verzorgingsstaat. Enerzijds blijkt de winst die ons is voorgespiegeld van vergaande marktwerking en privatisering op een illusie te berusten. Anderzijds heeft onze ‘inefficiënte’ verzorgingsstaat niet kunnen verhinderen dat we een bijna tienjarige periode van gestage economische groei, recordwerkgelegenheidsgroei en een sterke afname van de werkloosheid achter de rug hebben. Zo verstorende lijkt de verzorgingsstaat toch ook weer niet te zijn.

Maatschappelijke crisis


Ook al is er reden om de financiële en conomische crisis van de verzorgingsstaat te relativeren, dan kan er toch nog reden voor hervorming van de verzorgingsstaat zijn gelegen in de maatschappelijke crisis. De diagnose van deze crisis is, dat de verzorgingsstaat is opgebouwd in een periode waarin de maatschappelijke verhoudingen totaal anders waren dan aan het begin van de 21e eeuw. Enigszins gechargeerd gesteld: de arrangementen zijn destijds afgestemd op een mannelijke kostwinner met een voltijdbaan in de nijverheid, die tot 65-jarige leeftijd bij dezelfde baas bleef en daarna niet zoveel jaren meer te leven had, terwijl zijn vrouw voor het huishouden en de kinderen zorgde en meestal tot zijn dood bij hem bleef. Nu is deze traditionele mannelijke kostwinner in een minderheidspositie terechtgekomen: inmiddels vormen vrouwen 40% van de beroepsbevolking, zijn de meeste mannen tweeverdiener, werkt viervijfde van de mensen in de dienstensector, is een op de drie banen een deeltijdbaan, behoort de baan voor het leven tot het verleden en stoppen de meesten rond hun zestigste met werken en leven dan nog een jaar of twintig, waarvan echte zo’n … jaar in minder goede gezondheid.

Hoewel er in de loop van de jaren wel de nodige aanpassingen in het stelsel zijn aangebracht, waardoor bijvoorbeeld geen formeel onderscheid meer wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen, zijn de uitgangspunten in feite nog steeds gebaseerd op de oude arbeidsmarkt van enkele decennia geleden. Een van de belangrijkste uitgangspunten is dat er een strikt onderscheid moet worden gemaakt tussen vrijwillige en onvrijwillige vormen van inkomensderving: het stelsel dient alleen compensatie te bieden voor onvrijwillige inkomstenderving t.g.v. werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid en ouderdom. Dit onderscheid valt echter steeds moeilijker te maken. Zo vervaagt het onderscheid tussen vrijwillige en onvrijwillige werkloosheid voor mensen met een flexibele baan (hoe lang moet je niet opgeroepen zijn voor een uitzendbaan of oproepcontract voor je als werkloos geldt?), is bij psychische klachten het onderscheid tussen ziekte en een arbeidsconflict steeds lastiger te trekken en is het moment van definitieve uittrede uit het arbeidsproces steeds meer een vrijwillige keuze geworden. Daarnaast zijn er nieuwe vormen van inkomensderving bijgekomen die deels een vrijwillig en deels een onvrijwillig karakter dragen, zoals de zorg voor (zieke) kinderen of familieleden en scholingsverlof.

Recent heeft dit geleid tot een reeks van voorstellen om het bestaande stelsel om te bouwen tot een levensloopstelsel, waarin verzekeren en sparen op een evenwichtige wijze worden gecombineerd en waarvan ook allerlei verlofregelingen deel uitmaken. De discussie hierover is echter nog maar net begonnen en het zal een gigantische opgave zijn om het gehele stelsel in deze richting te hervormen. Een van de grootste problemen hierbij is hoe het stelsel beter kan aansluiten bij de verschillen tussen mensen en hun persoonlijke voorkeuren, terwijl het collectieve en solidaire karakter ervan in stand blijft.

De toekomst van de verzorgingsstaat


De belangrijkste redenen voor de crisis van de verzorgingsstaat zijn ook na twintig jaar nog niet weggenomen. De financiële houdbaarheid zal het komende decennium alleen maar aan urgentie winnen. De economische problemen bestaan nog steeds, maar het perspectief op een eenvoudige oplossing is verdwenen. En van de maatschappelijke uitdagingen zijn we ons nog maar net bewust, laat staan dat een oplossing al in zicht zou zijn. De verzorgingsstaat zal voorlopig dan ook nog wel in crisis blijven verkeren.

Tegelijkertijd is er zeker geen reden voor pessimisme over de toekomst van de verzorgingsstaat. Alle aandacht voor de problemen van de verzorgingsstaat



Abram de Swaan heeft er ooit terecht op gewezen dat de verzorgingsstaat eigenlijk een wonder van efficiëntie is. Terwijl een gloeilamp slechts zo’n 5% [?] van de energie die er doorheen gaat in licht omzet, is de efficiëntie van de verzorgingsstaat, zelfs volgens de meeste critic, vele malen groter. De uitvoering van de sociale zekerheid kost niet meer dan circa 10% [?] van de totale uitgaven. Hoewel de schattingen van socialezekerheidsfraude en oneigenlijk gebruik sterk uiteenlopen, gaat het waarschijnlijk toch ook om niet meer dan zo’n 10%. En hoewel het negatieve effect op de economische groei ook nauwelijks te kwantificeren, maakt een vergelijking tussen landen met een meer en minder uitgebreide verzorgingsstaat het onwaarschijnlijk dat hierbij eveneens meer dan 10% efficiëntieverlies optreedt. Kortom, het rendement van de verzorgingsstaat lijkt toch zeker zo’n 60 of 70% te bedragen. Als men zich dan ook nog realiseert dat uit vrijwel alle onderzoeken blijkt dat een genereuze verzorgingsstaat leidt tot een sterke vermindering van de armoede en van de inkomensongelijkheid en –onzekerheid, dan kan de verzorgingsstaat zelfs als een groot succes worden aangemerkt. Ik zou zelfs de stelling aandurven dat de verzorgingsstaat de belangrijkste uitvinding van de 20e eeuw is, die het belang van andere vindingen als de auto, de televisie en de computer in de schaduw stelt. Dit betekent niet dat we maar tevreden moeten zijn met de verzorgingsstaat zoals ie is en de zwakke kanten ervan op de koop toe moeten nemen. Auto’s, televisies en computers worden immers ook voortdurend vernieuwd en verbeterd. Maar het wordt misschien wel tijd dat de discussie over de herziening van de verzorgingsstaat eens op een wat minder zorgelijke toon wordt gevoerd. Het zou niet meer moeten gaan over de houdbaarheid en levensvatbaarheid van de verzorgingsstaat, maar over de vraag hoe we de verzorgingsstaat nog beter kunnen aanpassen aan en afstemmen op de behoefte van de moderne mondige burger. In deze tijd van groeiend nationalisme en nadruk op de nationale identiteit, zouden Nederlanders, die altijd al worstelen met hun identiteit, hun nationale trotst vooral moeten ontlenen aan het feit dat zij de beste verzorgingsstaat van de wereld hebben.

[P.M. niet genoemde oorzaken van de crisis: internationalisering, EU, migratie, calculerende burger, mondigheid]

  • Financiële crisis
  • Economische crisis
  • Maatschappelijke crisis
  • De toekomst van de verzorgingsstaat

  • Dovnload 18.52 Kb.