Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De basisbeginselen van islamitisch financieren en Financieren zonder rente in het jodendom, christendom en de islam

Dovnload 426.49 Kb.

De basisbeginselen van islamitisch financieren en Financieren zonder rente in het jodendom, christendom en de islam



Datum05.12.2018
Grootte426.49 Kb.

Dovnload 426.49 Kb.



De basisbeginselen van islamitisch financieren en Financieren zonder rente in het jodendom, christendom en de islam
paper voor het symposium over Islamitisch financieren, georganiseerd door Traders Association en Menara, Universiteit van Tilburg, wo. 17 november 2010
Hans Visser, emeritus-hoogleraar algemene economie, Vrije Universiteit Amsterdam

1. De basisbeginselen van islamitisch financieren
Islamitisch financieren is financieren in overeenstemming met de eisen van de sharia. Dit betekent dat een aantal transacties als haram, niet toegestaan, beschouwd wordt:

(i) transacties die gepaard gaan met betalen en ontvangen van riba;

(ii) transacties die gepaard gaan met gharar en maysir;

(iii) transacties in voor Moslims verboden goederen en diensten.

Een additionele eis is dat overeenkomsten niet in strijd zijn met het Islamitische verbintenissenrecht. Ik ga op elk van deze punten nader in.
Het verbod op riba
In de Quran staan vier verzen die riba verbieden: soera 2 de verzen 275, 276 en 278 en soera 3 vers 130 (zie Appendix I). Riba betekent letterlijk toename of surplus. Het wordt gebruikt voor een van te voren afgesproken toevoeging aan de hoofdsom. De riba die hier bedoeld wordt is riba al-nasia, riba via uitstel: een ruil waarbij de tegenprestatie later plaatsvindt en een van de tijd afhankelijke opslag krijgt. Het staat gelijk met het Latijnse usura, in de Middeleeuwen door de Rooms-Katholieke kerk streng veroordeeld.

Naast de riba al-nasia kennen we een andere soort riba, namelijk riba al-fadl, die we kunnen zien als riba door ongelijke ruil. Die is niet in de Quran te vinden maar in de Soenna, voluit sunnat al-nabî of ‘gewoonte van de profeet’, bestaande uit de uitspraken en handelingen van Mohammed zoals neergelegd in de overlevering, de Hadith. Die zegt dat het bij de ruil van dadels tegen dadels, zout tegen zout, goud tegen goud, zilver tegen zilver, tarwe tegen tarwe en haver tegen haver alleen maar toegestaan is om gelijke eenheden tegen elkaar te ruilen (onder andere ahadith, overleveringen, 3853 en 3875 in Boek 10 van de gezaghebbende Hadith-verzameling van Muslim (824 - 875) (Muslim z.j.). Twee pond dadels van mindere kwaliteit ruilen tegen een pond van betere kwaliteit mag niet. De vraag is hoever je kunt gaan met redeneren naar analogie en andere transacties aan de lijst mag toevoegen.1 Daarover verschillen de rechtsscholen (madhahib) van mening, maar vrij algemeen worden goud en zilver veralgemeniseerd tot monetaire financiële activa en wordt het ontoelaatbaar geacht om geld tegen claims op geld anders dan à pari te ruilen. Schuldbewijzen mogen dus alleen tegen de nominale waarde verhandeld worden. Zo wordt de pas afgesneden aan lieden die rentebetalingen op slinkse wijze willen omzeilen door bijvoorbeeld de uitgifte van zero-interest bonds, nominaal renteloze obligaties die beneden pari uitgegeven worden terwijl de aflossing à pari plaatsvindt.


Het verbod op gharar en maysir
Naast riba zijn ook gokken of speculeren, maysir, en vermijdbare onzekerheid of het nemen van onnodig risico, onnodige en overmatige gharar, haram.

Maysir is uitdrukkelijk verboden in de Quran, tegelijk met alcohol (soera 2: 219, soera 5:90,91).

Dan gharar. Het verbod op onnodige en overmatige gharar heeft vergaande consequenties. De eis is dat het object en de prijs van een transactie duidelijk omschreven zijn. Het verbod op gharar is gebaseerd op ahadith volgens welke de profeet Mohammed de verkoop verbood van onder andere een ontsnapte slaaf of een ontsnapt beest, van een vogel in de lucht en een vis in het water en van melk die nog in de uiers zat, dus van zaken waarvan niet vaststaat dat de aanbieder die ook werkelijk kan leveren of waarvan niet vaststaat welke hoeveelheid of welke aantallen hij kan leveren. Het is daarom ook niet toegestaan om de opbrengst van wat een duiker morgen boven water haalt tegen een bepaalde prijs te kopen. Het is daarentegen wel toegestaan om de diensten van een duiker voor een bepaalde tijd tegen een bepaalde prijs te huren (El-Gamal 2000 blz. 7). Een gharar contract is volgens de consensus van de geleerden nietig.2 Men zou kunnen zeggen dat de eis van een bepaald onderwerp en een geoorloofde oorzaak die in het Nederlandse recht geldt, in het islamitische recht aan strengere eisen moet voldoen. Deze eisen zijn:

- prestatie en tegenprestatie moeten exact omschreven zijn, dat wil zeggen de hoeveelheid, de kwaliteit, de prijs en de leveringsdatum moeten vermeld worden;

- de te verhandelen goederen dienen reeds te bestaan en in bezit van de leverende partij te zijn op het moment dat de overeenkomst gesloten wordt, anders is namelijk niet zeker dat er geleverd kan worden.

Die laatste eis maakt het moeilijk om in derivaten te gaan handelen. Termijntransacties bijvoorbeeld behelzen levering van zaken in de toekomst die op het moment van het aangaan van de overeenkomst nog niet bestaan of niet in het bezit van de verkoper zijn (bovendien zit er vaak een rente-element in). Van gharar is ook sprake als iemand blindelings zaken aanpakt of een bovenmatig risicovolle transactie aangaat. Commentatoren zien als doel van het verbod op gharar de bescherming van degenen die niet zo gewiekst zijn tegen degenen die dat wel zijn (Saleh 1986 blz.. 49). Er gelden overigens uitzonderingen, in het bijzonder bai salam, afnemerskrediet, vooral ten behoeve van de landbouw. Een agrarisch ondernemer mag dus de toekomstige oogst verkopen en daarvoor betaling ontvangen. Deze uitzondering is toegestaan omdat anders de landbouw in grote problemen zou komen. Steun ervoor is te vinden in de Hadith, bijvoorbeeld ahadith 441 – 449 in deel 3, boek 35, van de verzameling van Bukhari (816 - 870), die in even hoog aanzien staat als die van Muslim (Bukhari z.j.). Sommigen menen dat de bai salam niet alleen voor de landbouw is toegestaan, maar in het algemeen voor fungibele goederen, goederen die onderling verwisselbaar zijn, waarbij het dus niet van belang is welk exemplaar men ontvangt: graan, olie, metalen.

Bai salam is wel een termijncontract, maar verschilt van conventionele forwards en futures. In de eerste plaats moet de volledige prijs vooraf betaald worden en in de tweede plaats moeten de gekochte goederen op de vervaldatum ook werkelijk afgenomen worden (Al-Suwailem 2006 blz. 30). Het doel van deze beperkingen is volgens de geleerden om speculatie (maysir) tegen te gaan, maar hedgen, je indekken tegen prijsveranderingen, wordt er ook door bemoeilijkt.


Een andere vergaande consequentie van het verbod op overmatige gharar is dat conventionele verzekeringen daardoor uitgesloten worden. Immers, bij conventionele verzekeringen betaal je een premie, terwijl de tegenprestatie niet vaststaat: je weet niet of je schade lijdt en een claim kan indienen, en indien je schade lijdt, wanneer en tot welk bedrag. Dit nog afgezien van het feit dat conventionele verzekeringsmaatschappijen een groot deel van hun activa rentegevend aanhouden. De tegenwerping dat je met je verzekeringspremie zekerheid koopt, wordt door de fuqaha, de geleerden op het terrein van de fiqh, de islamitische rechtswetenschap, niet geaccepteerd. Zekerheid wordt niet als verhandelbaar object beschouwd (El-Gamal 2006 blz. 36). De oplossing is dan om een fonds voor onderlinge bijstand op te richten, takaful. Bijdragen aan zo’n fonds worden beschouwd als tabarru, vrijwillige bijdragen ten behoeve van broeders en zusters die door tegenslag getroffen worden, en niet als verzekeringspremie. Het beheer van een takaful kan opgedragen worden aan een commerciële instelling, die zuiver als agent, wakil, kan optreden maar in de praktijk vaker als mudarib, een handelend vennoot, optreedt. Hij deelt dan wel in de winsten maar niet in de verliezen van de takaful. Een probleem is dat veelal aan het eind van een boekjaar de winst verdeeld wordt, zodat geen reserves worden opgebouwd. Op voorschotten van de agent of mudarib in geval een boekjaar met verlies gesloten wordt kan een takaful niet altijd rekenen, zodat de kans bestaat dat de polishouders, of liever leden, niet hun gehele claim gehonoreerd zien.

Verboden goederen en diensten
Moslims moeten zich verre houden van varkensvlees of alcohol, en islamitische banken en beleggingsinstellingen moeten ondernemingen die zich daarmee bezighouden mijden. De seksindustrie is uiteraard haram, maar ook de vermaaksindustrie (muziek), de tabaksindustrie, de hotelsector en de wapenindustrie. Beleggen in obligaties kan vanwege het verbod op riba uiteraard niet, evenmin als beleggen in preferente aandelen, die immers enkele eigenschappen met obligaties delen. Sectoren als telecommunicatie, technologie, gezondheid en uitzendbureaus leveren geen problemen op, als ze niet teveel rentedragende activa en/of passiva op hun balans hebben staan. De ondernemingen waarin belegd wordt hoeven niet een specifiek Islamitisch karakter te dragen.

Hotelsector en muziek niet toegestaan, wie bepaalt dat eigenlijk? Islamitische financiële instellingen moeten een shariaraad bestaande uit minstens drie gekwalificeerde fuqaha hebben om als Islamitisch aangemerkt te kunnen worden. Wereldwijd worden de shariaraden gedomineerd door een klein groepje topdeskundigen die zowel goed thuis zijn in de sharia als in de financiële wereld. Uit recent onderzoek kwam naar voren dat van de ruim 300 leden van shariaraden in 28 landen de top-tien niet minder dan 38 % van alle plaatsen in de raden bezet houden (cpifinancial 2010). In een ander onderzoek, onder 131 ondernemingen in de Golfstaten, met in totaal 498 zetels in hun shariaraden, bleken de top-tien zelfs 253 plaatsen, dus meer dan de helft, te bezetten (Ünal en Ley 2009). Dat betekent dat in die raden een klein groepje mensen elkaar vaak tegenkomen.


sjeik Muhammad Taqi Usmani

(bron: Zuberi 2008)
Eén van de meest vooraanstaande leden van shariaraden is sjeik Muhammad Taqi Usmani, lid van de shariaraden van onder andere HSBC Amanah en Dow Jones Islamic Index en voorzitter van de shariaraad van de Accounting and Auditing Organization for Islamic Financial Institutions (AAOIFI), een organisatie die accountancy-standaarden ontwikkelt voor de Islamitische financiële instellingen. Usmani is een gepensioneerd rechter van de Federale Sharia Rechtbank en de Sharia beroepskamer (Sharia Appellate Bench) van het Pakistaanse Hooggerechtshof. Hij behoort tot de zeer strikte Deobandi-school, die ook de Taliban heeft voortgebracht, en onderhoudt nauwe banden met de Jamaat-e-Islami partij in Pakistan, die een sterke Islamisering van de samenleving nastreeft (Norfolk 2007, El-Gamal 2003 blz. 6). De stichter van die partij, maulana Sayyid Abu’l-A’la Maududi (1903-1979), kan gezien worden als de vader van de idee van een islamitische economie, inclusief een islamitische financiële sector.3 Hij propageerde een zeer strenge levensstijl die weinig ruimte laat voor vermaak en luxe, met volstrekte afwijzing van muziek en dans en schilderijen of foto’s aan de muur (Maududi 1999 blz. 30-31). Het is voorstelbaar dat mede door de invloed van Usmani, en daarmee indirect van Maududi, shariaraden afwijzend staan tegenover muziek. Met betrekking tot de negatieve houding tegenover hotels kan een rol spelen dat daar alcohol geschonken wordt en dat vrouwen daar zonder mannelijke verwanten kunnen overnachten.

maulana Maududi



bron: http://inkishaf.pk/tag/maulana-maududi/

geplaatst 29 juli 2010



Het islamitische verbintenissenrecht
Het islamitische verbintenissenrecht heeft een aantal specifieke kenmerken waar rekening mee gehouden moet worden, naast de al genoemde verbodsbepalingen.

- Een overeenkomst mag slechts één zaak betreffen (Obaidullah 2005 blz. 33). Een sale-lease-back constructie bijvoorbeeld vereist dus twee aparte overeenkomsten.

- Een bod en het aanvaarden van dat bod dienen in dezelfde bijeenkomst te geschieden. Als het aanvaarden gepaard gaat met voorwaarden wordt dat niet gezien als aanvaarden maar als het doen van een tegenbod. Gaan de partijen uiteen zonder tot overeenstemming te zijn gekomen, dan wordt het bod geacht te zijn vervallen (Sinke 2007 blz. 21).



- Strafbepalingen in geval van wanprestatie liggen moeilijk. Een boete bij te late betaling lijkt immers op interest. Er bestaat een grote diversiteit aan meningen, maar de overheersende opinie lijkt te zijn dat betaling van een vast bedrag aan de crediteur als tegemoetkoming in de door hem gemaakte kosten aanvaardbaar is. Een boete die dat vaste bedrag te boven gaat moet voor het na aftrek van dat bedrag overblijvende gedeelte overgemaakt worden aan een charitatieve instelling.
In het islamitische recht ligt een sterke nadruk op commutatieve rechtvaardigheid en vrijgevigheid (Hassan 2002). Die commutatieve rechtvaardigheid houdt in dat een partij niet door een andere partij gedupeerd mag worden. Daar zijn, zo wordt gesteld, het verbod op gharar en het riba-verbod op gericht. Bij het verbod op riba wordt daarbij gedacht aan uitbuiting. De vrijgevigheid houdt in dat schuldenaren die niet in staat zijn hun verplichtingen na te komen met soepelheid tegemoet getreden moeten worden, indachtig Quran 2:280:

En indien iemand in moeilijkheid is

dan toegeeflijkheid

tot tijd van gemakkelijker omstandigheden.

Maar dat gij [de schuld] als liefdegave kwijtscheldt

is beter voor u



indien gij wist.
Bron: De Koran, vertaling J.H. Kramers, bewerkt door A. Jaber en J.J.G. Jansen, 17e dr., Amsterdam: De Arbeiderspers 1997.
Dit is een mooie houding als het om echte behoeftigen in een overzichtelijke samenleving met veel sociale controle gaat, maar in een samenleving met veel onpersoonlijke relaties ligt het gevaar van moreel risico (moral hazard) op de loer, dat wil zeggen dat de geldnemer zich zodanig gaat gedragen dat de belangen van de geldgever geschaad worden (in dit geval: terugbetaling van de lening helemaal onderaan zijn prioriteitenlijstje zet).
Een probleem met het islamitische recht is dat het weinig houvast biedt. In de eerste plaats kent de Islam geen hoogste autoriteit die de regels vaststelt, terwijl de twee hoofdbronnen van het islamitische recht, de Quran en de soenna, veel zaken die in de huidige maatschappij spelen niet regelen en de fiqh niet tot eenduidige uitspraken komt. In de tweede plaats wordt geen rekening gehouden met precedenten. Partijen kiezen bij grote, grensoverschrijdende transacties daarom vaak voor het Engelse recht.

Grenzen opzoeken
Soera 2:275 zegt dat riba verboden is, maar koophandel niet. Het ideaal van het islamitische financieren is dat de financier deelt in het ondernemersrisico. Het ideaal is dus winstdeling of winst- en verliesdeling (profit-and-loss sharing, PLS, zoals die plaatsvindt bij de financieringsvormen musharaka en mudharaba. PLS heeft echter enkele nadelen voor de geldgever, in het bijzonder het gevaar van moreel risico (de ondernemer heeft een geringere prikkel tot presteren dan bij een conventionele lening waar hij eerst de rente aan de bank moet betalen voor hij of zij iets voor zichzelf overhoudt en kan de winsten ook nog laaghouden door ten laste van het bedrijf consumptieve uitgaven te doen voor bijvoorbeeld een mooie auto of als zakenreizen vermomde vakanties) en de noodzaak om tot duidelijke afspraken te komen over de methode van winstbepaling. De geldnemer zal het anderzijds niet altijd prettig vinden als de geldgever steeds over zijn schouders meekijkt. Bovendien is het wat omslachtig als voor elk investeringsprojekt een aparte joint venture met een geldgever opgezet moet worden. Daarnaast is winstdeling bij financiering van consumptieve uitgaven niet aan de orde. Partijen kiezen daarom veel vaker voor murabaha (opslagfinanciering) of ijara (huur, leasing).

Murabaha is in feite meestal een combinatie van murabaha, een koop die gevolgd wordt door doorverkoop met een winstopslag (twee transacties, dus twee overeenkomsten), met een uitgestelde betaling, bai bithamin ajil (verkoop op krediet), of, verkort, bai’muajjal. De financier verricht ten behoeve van zijn cliënt, maar voor eigen rekening, een aankoop en verkoopt het goed met een winstopslag door aan de cliënt. Sceptische lieden zullen zeggen dat er economisch niet zo veel verschil is tussen die winstopslag en een rentebedrag, temeer daar rentepercentages zoals LIBOR vaak als benchmark gebruikt worden. Een absoluut vereiste is echter dat de financier, ook al is het maar kort, gedurende enige tijd eigenaar is van het goed en de daarbij behorende risico’s van kwaliteitsverlies, brand e.d. draagt, maar diezelfde sceptici zullen dat als een formaliteit zien. Sjeik Usmani stelt dat murabaha vanuit islamitisch gezichtspunt verre van ideaal is, maar zolang we geen volledig geïslamiseerde samenleving hebben moeten we ons met onvolmaakte oplossingen behelpen. Murabaha is dan als tussenoplossing aanvaardbaar in die gevallen waarin PLS niet goed bruikbaar is (Usmani z.j.; zie ook het negatieve oordeel van prof. dr. Ahmet Akgündüz, de rector van de Islamitische Universiteit Rotterdam, Akgündüz 2009 blz. 22-23).
Bij islamitische financiering moet er steeds een onderliggend goed zijn, behalve in het geval van renteloze leningen. Ondernemingen en particulieren hebben echter ook vaak behoefte aan vrij te besteden middelen, zonder dat ze al meteen de aankoop van een specifiek goed voor ogen hebben of omdat murabahafinanciering vaak hetzij te omslachtig, hetzij niet beschikbaar is (bijvoorbeeld voor de dagelijkse boodschappen). Met gebruikmaking van murabaha zijn oplossingen beschikbaar die aan de formele eisen voldoen, maar in feite juridische slimmigheidjes, hiyal (sing. hila), zijn om de voorschriften te omzeilen. In Maleisië bieden islamitische banken bai inah of bai-al-einah, terugkoop door de verkoper, aan. De cliënt koopt een goed op afbetaling van de bank via een murabaha en verkoopt het goed onmiddellijk tegen contante betaling, en uiteraard een lagere prijs, terug aan de bank. De goederentransactie is hier slechts een formaliteit en de cliënt krijgt het goed niet feitelijk in bezit. Economisch is dit een omslachtige manier om een krediet te krijgen.

In de Golfstaten is bai inah niet toegestaan. Daar is echter evenzeer behoefte aan vrij te besteden middelen. De daar toegepaste oplossing, tawarruq, monetisering, maakt wel gebruik van feitelijke goederentransacties. De cliënt koopt in dit geval een goed van de financier via een murabaha, dus op afbetaling, en verkoopt het aan een derde tegen contante betaling. In het algemeen zal de bank als agent van de cliënt zorgdragen voor die verkoop. Als het om grote bedragen gaat worden op beurzen verhandelbare goederen gekocht en verkocht: platina en aluminium (London Metal Exchange) of palmolie (beurs in Kuala Lumpur). De transactiekosten zijn dan laag. Verdedigers van tawarruq beroepen zich op Ibn Taymiyya (1263–1328), een geleerde uit de strenge Hanbali madhhab of rechtsschool, die tawarruq wel als makruh, ongewenst, maar niet als haram beschouwde (Gassner 2007a). Het is aan de gelovigen om te beslissen of ze zich met makruh zaken inlaten.
Islamitische financiële instellingen proberen ook tegemoet te komen aan de behoefte aan hedging, je indekken tegen mogelijk ongunstige prijsbewegingen in de toekomst. Bai salam biedt een mogelijkheid, maar de genoemde eisen van volledige betaling vooraf en van feitelijke levering maken deze vorm niet aantrekkelijk. Waar wel mee gewerkt wordt is een islamitische variant van de call optie, arbun of urbun. Bij een arbun-contract betaalt de koper een bedrag aan de verkoper waarmee hij het recht verwerft om op een later tijdstip over de koop te beslissen. Een verschil met de call-optie is dat de betaling voor het arbun-contract als aanbetaling geldt wanneer de koop doorgaat, in tegenstelling tot de premie voor een call-optie. De meningen onder de fuqaha lopen uiteen. De Hanbali-rechtsschool staat het arbun-contract op vrij ruime schaal toe, terwijl andere rechtsscholen, in het bijzonder de Hanafi-school, er negatief tegenover staan (Gassner 2007b, Gibbon en Norman 2008).
Dit zijn enkele voorbeelden van pogingen om islamitische varianten van conventionele financiële produkten te ontwikkelen die op het eerste gezicht niet in overeenstemming met de sharia zijn. Het is steeds maar afwachten of nieuwe produkten wel door de beugel kunnen, en waar, want de verschillende jurisdicties hanteren verschillende regels en als iets wettelijk toegestaan is moet je nog maar afwachten hoe de fuqaha reageren. Die oordelen vaak niet eenstemmig. Bovendien komen ze wel eens met negatieve oordelen over produkten die al ingeburgerd zijn. Zo werd in de Golfstaten tawarruq toegepast in een vorm die erg veel lijkt op bai inah, zij het dat hier wel feitelijke koop en verkoop van goederen plaatsvindt, een vorm waarbij de bank of andere financier optreedt als verkoper èn als koper. Banken gingen hiertoe ook over ten behoeve van hun eigen liquiditeitsmanagement, met andere banken als tegenpartij. In april 2009 oordeelde de International Islamic Fiqh Academy, verbonden aan de Organization of The Islamic Conference, echter dat deze vorm van tawarruq niet toelaatbaar is (Financial Times 2009).

Ook ten aanzien van de zeer populaire sukuk (islamitische certificaten) kwamen er uitspraken die de markt hevig beroerden, in dit geval van de zijde van de AAIOFI, de Accounting and Auditing Organization for Islamic Financial Institutions. De sharia board van deze instelling, onder voorzitterschap van sjeik Usmani, bracht in februari 2008 een stuk uit waarin hij stelde dat sukuk naar zijn mening onder andere aan de eis moeten voldoen dat de houders van de sukuk eigenaren zijn van de onderliggende activa en dat het niet toelaatbaar is om de houders van de sukuk te beloven dat de activa aan het eind van de looptijd van de sukuk tegen de nominale prijs teruggekocht worden (AAOIFI 2008; zie ook het achterliggende stuk van Usmani, Usmani 2007). Dat zou immers de sukuk tezeer laten lijken op conventionele obligaties. Ze moeten genoegen nemen met de marktprijs op het moment van aflossing. De houders van sukuk dienen ondernemersrisico te lopen.



Het overgrote deel van de sukuk voldoet niet aan deze eisen. Het belang van de eigendom kwam duidelijk naar voren bij het ingebreke blijven van verschillende sukuk-debiteuren in 2009 en begin 2010. De crediteuren, houders van sukuk, ontdekten tot hun schrik dat de onderliggende activa niet door de debiteur in eigendom overgedragen waren aan het SPV, special purpose vehicle, dat de sukuk ten behoeve van de debiteur uitgeeft. De sukuk bleken wel asset-based, maar niet asset-backed. Een bijkomend probleem is onduidelijkheid over de afdwingbaarheid van overeenkomsten naar Engels recht in andere jurisdicties (Salah 2010).
Tot nog toe heeft de markt de aanbevelingen van de sharia board van de AAOIFI niet grootscheeps opgevolgd; zij hebben geen dwingende kracht. Dat is een meer algemeen probleem: het terrein van de islamitische financiële produkten is voortdurend in ontwikkeling en er bestaat geen overeenstemming over wat wel en wat niet sharia-compliant is. Dat heeft als vervelende bijkomstigheid dat debiteuren wel eens onder hun verplichtingen uit proberen te komen door een beroep te doen op het niet sharia-compliant zijn van de onderliggende overeenkomst. Dit staat bekend als sharia risico (Howladar 2010).

Teleurgestelden
De pogingen om met het islamitische financieren een werkelijk islamitisch alternatief voor de conventionele economische orde te vinden worden niet alom toegejuicht. Islamitische financiële instellingen trachten zoveel mogelijk in de behoeften van de markt te voorzien en brengen produkten op de markt die naar de vorm islamitisch zijn, maar waarvan wel betwijfeld wordt of ze inhoudelijk echt islamitisch zijn. Er wordt wel gevreesd dat form over substance gaat. Met andere woorden, er zijn waarnemers die islamitisch financieren slechts als een ingewikkelde en relatief dure methode zien om de conventionele financiële produkten zoveel mogelijk te kopiëren en niet als een echt inhoudelijk islamitisch verschijnsel (zie voor verwijzingen Visser 2009 blz. 145). Maar het is niet duidelijk hoe een inhoudelijk streng islamitisch financiëeel systeem kan functioneren zonder de reële economie te schaden.

Financieren zonder rente in het jodendom, het christendom en de islam
Jodendom
Het basisgeschrift van het Jodendom is de Tenach.4 De Tenach komt overeen met het Oude Testament van de christelijke kerken, zij het dat daar de volgorde anders is en dat de rooms-katholieke en orthodoxe versies meer boeken kennen. In de Tenach staan enkele verzen die het vragen van rente, in het bijzonder van volksgenoten, verbieden (zie Appendix II). De beperking tot volksgenoten wordt wel verklaard uit het feit dat na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap (586-538 v. Chr.) de joodse bevolking temidden van andere bevolkingsgroepen moest leven en een algemeen verbod niet praktisch uitvoerbaar was (Van Straaten 2002 blz. 14).

Toen in de loop van de eeuwen het handelsverkeer zich sterker ging ontwikkelen, werd lenen en uitlenen tegen rente een noodzakelijk kwaad dat oogluikend werd toegelaten, hoewel daar ook weer reacties op kwamen in de vorm van verbodsbepalingen, waarop vervolgens weer ontwijkingsmogelijkheden werden gecreëerd. Als joden rente nemen van niet-joden is het niet meer dan logisch dat ook tegen rente geleend mag worden van niet-joden. Dat bood de mogelijkheid om rentedragende leningen tussen joden af te sluiten via een niet-joodse tussenpersoon. Die rentedragende transacties met niet-joden waren niet onomstreden. Een gangbare opvatting was dat ze alleen konden worden toegestaan als de geldgever geen andere mogelijkheid zag om inkomen te verwerven (Stein 2007 blz. 437). Vergelijk het begrip darura, noodzaak, dat in de fiqh wordt toegepast om met de sharia strijdige zaken toe te staan als strikte toepassing van de sharia teveel van de gelovigen zou vergen. Het zijn vormen van ‘nood breekt wet’. Die noodzaak ging vooral spelen toen het joodse leven zich na het jaar 1000 steeds meer in Europa ging afspelen en allerlei beroepen niet voor Joden openstonden (Wilson 1997 blz. 32-36, Van Straaten 2002 blz. 14-15). De Rooms-Katholieke Kerk bepaalde tijdens het Derde Lateraans Concilie in 1179 dat zowel de Bijbel als het natuurrecht (hier steunend op Aristoteles) het vragen van interest verboden, en dat alle christelijke woekeraars geëxcommuniceerd dienden te worden. Geld uitlenen tegen rente was daarentegen wel aan Joden toegestaan en werd een typisch joodse aangelegenheid (Cohn en Eliash 2007 blz. 440).

Met het toenemend belang van commerciële financiering boven het lenen aan behoeftigen werd de drang om het renteverbod af te schaffen of te omzeilen steeds groter. De oplossing werd gevonden met de hetter iskah, goedkeuring van het vormen van een partnerschap. Deze werd, voor zover bekend, het eerst gebruikt door rabbi Menachem Mendel van Krakau aan het eind van de zestiende eeuw en al gauw algemeen aanvaard door de rabbijnen (Visser en McIntosh 1998, Cohn en Eliash 2007). Bij een iskah worden geldgever en geldnemer verondersteld een partnerschap aan te gaan. De basisidee is dat de geldgever aan de geldgever middelen verschaft, voor de helft als een deposito, waarbij de geldgever eigenaar blijft, en voor de andere helft als een lening, waarbij de lener de eigenaar wordt. Voor het leengedeelte is de geldnemer de enige voor wiens rekening de winsten en verliezen zijn. De opbrengst van het depositogedeelte is voor de geldgever. Die laat de geldnemer werken met het deposito en betaalt daar een symbolisch bedrag als loon voor. De geldgever mag eisen dat de geldnemer gedetailleerd verslag uitbrengt over wat hij met het geld doet, met bewijsmateriaal. Dat is tijdrovend en hinderlijk. De geldgever neemt daarom genoegen met een vooraf afgesproken percentage van het deposito, als afkoopsom voor de last van de verslaggeving. De geldnemer mag in ruil daarvoor eventuele winsten houden. Het percentage op de hoofdsom is een afkoopsom en formeel dus geen rente. Er zijn variaties op deze basisvorm.

De hetter iskah wordt algemeen geaccepteerd binnen de halacha, het stelsel van de joodse religieuze wetgeving. Banken in Israel passen haar toe, ook voor consumptieve leningen. Daar is, zo gaat de redenering, van een soort winst sprake omdat de geldnemer dankzij de lening tijd en geld over heeft over heeft om zich met andere activiteiten bezig te houden dan het verwerven van het goed dat nu met geleend geld wordt gekocht (Cohn en Eliash 2007).



Christendom5
De ideeën over rente binnen het Christendom liepen lang parallel met die binnen het Jodendom. Beide beriepen zich op teksten in het Oude Testament. In het Nieuwe Testament vinden we een enigszins ambivalente houding (zie Appendix III). In de Middeleeuwen richtte de Rooms-Katholieke Kerk zich scherp tegen de woekeraars, degenen die rente vragen, onder andere in het al genoemde Derde Lateraanse Concilie (zie hierover verder Beutels 1990 en Van Straaten 2002). Naast de Bijbel fungeerde Aristoteles als bron van het renteverbod. De voorman van de Scholastici, Thomas van Aquino (1225-1274), ontleende aan Aristoteles het argument dat rente vragen voor het gebruik van geld tegennatuurlijk is. Het Griekse woord voor interest,  (tokos), betekent ook: kroost, nageslacht. Maar in tegenstelling tot de natuur (vee, akkers) brengt geld zelf niets voort. Geld jongt niet. Geld is alleen bedoeld om als ruilmiddel te fungeren.

In de praktijk werden allerlei foefjes bedacht om het renteverbod te omzeilen. Ook in de juridische discussie werden er gaten in geslagen door een aantal extrinsieke titels, aanspraken gebaseerd op omstandigheden buiten de lening zelf, te accepteren als geldig voor het vragen van een vergoeding. Thomas van Aquino accepteerde damnum emergens, de schade die een geldgever lijdt als hij het geld nodig heeft en het niet kan gebruiken doordat hij het uitgeleend heeft, en dan wellicht tegen ongunstige voorwaarden aan geld moet zien te komen. Andere titels werden niet zonder slag of stoot door de theologen van de Rooms-Katholieke kerk aanvaard. Over periculum sortis, het risico dat verlies optreedt, werd nog in de vijftiende eeuw zwaar gedebatteerd. Daarentegen werd nauwelijks bezwaar gemaakt tegen contracten waarin poena conventionalis, een boete bij te late betaling, was opgenomen. Wel omstreden bleef tot de vijftiende eeuw lucrum cessans, de winst die een geldgever opgeeft door zijn geld uit te lenen en niet zelf te gebruiken. Het verzet van de Kerk tegen rente vragen en ontvangen verzwakte daarna, hoewel het tot 1838 duurde voordat het Vaticaan er formeel afscheid van nam.


De Reformatie brak met het renteverbod. Weliswaar was Maarten Luther (1483-1546) mordicus tegen het vragen en betalen van rente, meer dan de Scholastici, maar zijn medewerker Philippus Melanchton (1497-1560) stelde zich al soepeler op. Hij accepteerde de extrinsieke titels van de Scholastici. Johannes Calvijn (1509-1564) tenslotte maakte een definitief einde aan het renteverbod, wat overigens niet betekende dat hij geen grenzen wilde stellen aan het vragen van rente. Hij voerde twee theologisch belangrijke argumenten aan. Ten eerste betoogde hij dat de verboden en geboden uit het Oude Testament betrekking hadden op andere samenlevingen dan die waarin hij leefde. Te denken valt aan het belang van ondernemingsfinanciering. Ten tweede wees hij op de stelling van de apostel Paulus dat het zogenaamde Nieuwe Verbond dat God via Jezus van Nazareth met de mensheid gesloten had de Mozaïsche wet van het Oude Testament vervangen had. Die wet hoefde dus niet meer nauwgezet gevolgd te worden. Van de argumenten van Aristoteles was Calvijn ook niet erg onder de indruk. Na Calvijn zagen de Protestanten in het algemeen geen probleem meer met het renteverschijnsel op zich, hoogstens met exorbitante rente (woekerrente).

Islam6
Riba is verboden, maar valt de rente zoals wij die kennen wel onder dat verbod? Daarover lopen de meningen uiteen. Er zijn aanwijzingen dat Quran 3:130, waarin over een verdubbeling van de hoofdsom wordt gesproken, betrekking heeft op een pre-islamitisch gebruik ten aanzien van schulden die niet op tijd afgelost werden (Qureshi 1991 blz. 54, Pal 2000 blz. 52-53). Er wordt ook betoogd dat de Quran het heeft over consumptieve leningen aan mensen die met tegenslag te kampen hebben en dat riba staat voor elke ongerechtvaardigde, dat wil zeggen overmatige, opslag op een prijs (Ahmad 1996). De bedoeling van het verbod op riba is dan om de zwakkeren in de samenleving te beschermen, een visie die de betaling van rente door een bank op een spaarrekening toelaat. Onder anderen de belangrijke islamitische geleerde Muhammad Rashid Rida (1865-1935) was, hoewel zeer strikt ten aanzien van de toepassing van de voorschriften uit de soenna betreffende zaken als stenigen van overspeligen en prostituees en het afhakken van handen van dieven, van mening dat riba zich in de tijd van de profeet Mohammed in zeer specifieke vormen manifesteerde en dat het verbod op riba niet zonder meer op alle hedendaagse vormen van rente van toepassing geacht kan worden. De lijst met voorbeelden kan eindeloos uitgebreid worden (zie Talal 2007). Niettemin lijkt de overheersende meerderheid van de rechtsgeleerden van mening dat de rente zoals die zich in de hedendaagse samenleving manifesteert onder het verbod op riba valt. Zij delen met de Scholastici de mening dat rente niet alleen door de heilige geschriften verboden wordt, maar ook tegennatuurlijk is, zoals Aristoteles beweerd had. Geld brengt uit zichzelf niets voort, het is alleen ruilmiddel en rekeneenheid.

Het eerste argument van Johannes Calvijn om zich tegen een algeheel renteverbod te keren is dat het renteverbod in het Oude Testament op een andere samenleving betrekking had. In de islamitische wereld kunnen sommigen hem in zoverre volgen dat ze willen aantonen dat de verschijningsvormen van de rente in de huidige samenleving verschillen van de riba die in de Quran en de soenna wordt verboden. Voor christenen is het niet zo’n grote stap om vervolgens te menen dat, al zouden sommige verschijningsvormen wel overeenstemmen, het verbod toch niet strikt in letterlijke zin gevolgd hoeft te worden omdat de samenleving is veranderd en de goddelijke openbaring, als die nu had plaatsgevonden, er anders had uitgezien.7 Moslims die menen dat het Woord Gods zoals dat tot ons is gekomen een tijd- en plaatsgebonden vorm heeft, lopen echter het risico doelwit van takfir te worden, dat wil zeggen uitgemaakt te worden voor afvallige, en dat is levensgevaarlijk. Ik noem twee voorbeelden. Ten eerste Nasr Abû Zayd (1943-2010), die in Egypte beschuldigd werd van geloofsafval en daarom van zijn vrouw moest scheiden (zie zijn oratie bij de aanvaarding van de Cleveringa-leerstoel in Leiden, Abu Zayd 2000). Toen zij dat weigerden werd hij door fundamentalisten bedreigd met de dood en week hij uit naar Nederland. Ten tweede de Pakistaan Fazlur Rahman (1919-1988), die na aanvallen van conservatieve schriftgeleerden zijn leiderschap van het Central Institute of Islamic Research, opgezet door de regering om de Islam meer in het dagelijks leven toepassing te laten vinden, moest opgeven en voor zijn veiligheid naar de Verenigde Staten uitweek (Birt 2001).

Slotopmerkingen
Jodendom, Christendom en Islam kennen alle drie een op de goddelijke openbaring gebaseerde afkeer van rente, die vooral in het Christendom maar ook in de Islam versterkt werd door seculiere argumenten ontleend aan Aristoteles. Een samenleving met een sterk ontwikkeld bedrijfsleven en veel handelsrelaties vraagt echter een financiëel systeem met een scala aan produkten, inclusief rentedragende. Het Jodendom heeft daar een oplossing voor gevonden die formeel aan de religieuze eisen voldoet, maar materieel niet verschilt van conventionele rentebetalingen. Het Christendom heeft vrijwel unaniem afscheid genomen van het renteverbod. De Islam kent verschillende interpretaties van het verbod op riba. Degenen die het gelijkstellen met rente zien zich geconfronteerd met een islamitisch bankwezen dat formeel aan de eisen van de sharia voldoet maar materieel het conventionele bankwezen zoveel mogelijk kopiëert. Dankzij enerzijds de innovatieve activiteit van de banken, die steeds nieuwe produkten op de markt willen brengen en de grenzen van de sharia aftasten, en anderzijds pogingen van de fuqaha tot bijsturing is het terrein nog volop in beweging.

Appendix I: riba in de Quran
Soera 2, Al-Baqara (De koe)

(275) Zij die de woeker eten zullen niet anders opstaan [nl. uit hun graven op de Laatste Dag] dan zoals opstaat hij die de Satan omstoot door aanraking. Dat is omdat zij zeiden: De koophandel is slechts hetzelfde als de woeker. Maar God heeft de koophandel vergund gemaakt en woeker verboden. Hij dan tot wie een vermaning komt van zijn Heer en daardoor ermede ophoudt [nl. met het nemen van interest], voor hem is het vroeger verworvene en zijn zaak staat aan God. Maar wie weer terugvalt, dat zijn de lieden van het Vuur, eeuwig-levend daarin.

(276) God doet de woekerwinst verdwijnen en doet de liefdegaven winst afwerpen. God bemint geen enkele ongelovige zondaar.

+(278) O gij die gelooft, vreest God en laat varen de woekerwinst die gebleven is [nl. in woekercontracten afgesloten vóór het interestverbod werd afgekondigd] indien gij gelovig zijt.


Soera 3, Al-Imran (Het geslacht van ‘Imran [= Amram, de vader van Mozes])

(130) O gij die gelooft, eet niet de woeker met veelvoudige verdubbeling, en vreest God opdat gij wellicht wél zult varen.


Bron: De Koran, vertaling J.H. Kramers, bewerkt door A. Jaber en J.J.G. Jansen, 17e dr., Amsterdam: De Arbeiderspers 1997.

Appendix II: rente in Tenach/het Oude Testament
Oude Testament (Tenach)

Exodus 22


25. Indien gij aan mijn volk, aan de arme bij u, geld leent, zult gij u niet als een schuldeiser jegens hem gedragen: gij zult hem geen rente opleggen.

Leviticus 25


35. Wanneer uw broeder verarmt en zich bij u niet meer staande kan houden, dan zult gij hem – vreemdeling en bijwoner – ondersteunen, opdat hij bij u in het leven blijve.

36. Gij zult geen rente of winst van hem nemen, maar gij zult voor uw God vrezen, opdat uw broeder bij u in het leven blijve. Gij zult hem uw geld niet op rente geven noch uw voedsel tegen winst.


Deuteronomium 23


19. Gij zult van uw broeder geen rente nemen noch van geld, noch van levensmiddelen noch van iets, dat men tegen rente lenen kan.

20. Van de buitenlander moogt gij rente nemen, maar van uw broeder zult gij geen rente nemen – opdat de HERE, uw God, u zegene in alles wat gij onderneemt in het land, dat gij in bezit gaat nemen.


Ezechiël 18


5. Wanneer nu iemand rechtvaardig is en naar recht en gerechtigheid handelt, ....

8. , niet tegen rente uitleent noch woekerwinst neemt, ...

9 .... – zo iemand is rechtvaardig;

Psalm 15


5. hij leent zijn geld niet op woeker

en aanvaardt geen geschenk tegen de onschuldige.

Wie zó handelt zal nimmer wankelen.
Bron: NBG-vertaling.
Appendix III: rente in het Nieuwe Testament

Mattheüs 25


27. Dan hadt gij mijn geld aan de bankiers moeten geven en ik zou bij mijn komst mijn eigendom met rente opgevraagd hebben.

Lucas 6


34. En indien gij leent aan hen, van wie gij hoopt iets te ontvangen, wat hebt gij vóór? Ook zondaars lenen aan zondaars om evenveel terug te ontvangen. Neen, hebt uw vijanden lief, en doet hun goed en leent zonder op vergelding te hopen, en uw loon zal groot zijn en gij zult kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goed jegens de ondankbaren en bozen.

Lukas 19


23. Waarom hebt gij dan mijn geld niet bij de bank gegeven? Dan zou ik het bij mijn komst met rente opgevraagd hebben.
Bron: NBG-vertaling.
Geciteerde literatuur
AAOIFI, 2008, AAOIFI’s Shari'a Board  Resolutions on Sukuk
, aaoifi_sb_sukuk_Feb2008_Eng.pdf, beschikbaar op www.aaoifi.com.
Abû Zayd, Nasr, 2000, The Qur’an: God and Man in Communication, oratie Cleveringa-leerstoel, 27 november, http://www.let.leidenuniv.nl/forum/01_1/onderzoek/2.htm
Ahmad, Imad-ad-Dean, 1996, Riba and interest: definitions and implications, Minaret of Freedom Institute Preprint Series 96-5, Minaret of Freedom Institute, Bethesda, voordracht voor de 22ste conferentie van American Muslim Social Scientists, Herndon, VA, 15–17 oktober 1993, beschikbaar op www.minaret.org/riba.htm.
Akgündüz, Ahmet, 2009, ‘Introduction to Islamic Banking’, in Ahmet Akgündüz, red., Studies in Islamic Economics (Islamic Banking and Development), Rotterdam, IUR Press.
Al-Suwailem, Sami, 2006, Hedging in Islamic finance, Occasional Paper no. 10, Islamic Research and Training Institute, Islamic Development Bank, Jeddah, www.irti.org.
Beutels, R., 1990, ‘Over de usura-doctrine of het kerkelijk renteverbod’, Maandschrift Economie 54:4, 316-326.
Birt, M. Yahya, 1996, ‘The Message of Fazlur Rahman’, Association of Muslim Researchers, beschikbaar op http://www.freerepublic.com/focus/fr/531762/posts
Bukhari (Muhammad ibn Ismail al-Bukhari), Sahih Bukhari, vertaling M. Muhsin Khan, ww.usc.edu/dept/MSA/fundamentals/hadithsunnah/bukhari/.

Cohn, Haim en Ben-Zion Eliash, 2007, ‘Usury’, in Michael Berenbaum en Fred Skolnik, red.,



Encyclopaedia Judaica, 2e ed. dl. 20, Detroit: Macmillan Reference USA, 437-443.
cpifinancial, 2010, ‘Zawya identifies more than 300 Shari’ah scholars to address ‘shortage’ issue’, op http://www.cpifinancial.net/, 6 oktober.
El-Gamal, Mahmoud A., 2000, A Basic Guide to Contemporary Islamic Banking and Finance, http://www.ruf.rice.edu/~elgamal.
El-Gamal, Mahmoud A., 2003, Interest and the Paradox of Contemporary Islamic Law and Finance, paper, http://www.ruf.rice.edu/~elgamal/files/interest.pdf, verschenen in Fordham International Law Review, 2003.
El-Gamal, Mahmoud A., 2006, Islamic Finance: Law, Economics, and Practice, Cambridge: Cambridge University Press.
Financial Times, 2009, ‘Tawarruq loans split scholars’, 8 december.
Gassner, Michael Saleh, 2007a, ‘Developing common standards for Islamic finance’, Business Islamica Magazine, mei, beschikbaar op www.islamica-me.com.
Gassner, Michael Saleh, 2007b, ‘Islam & hedge funds’, www.islamica-me.com.
Gibbon, Bill en Trevor Norman, 2008, ‘Hedge funds and Shari’ah compliance in the GCC’, www.cpifi nancial.net/,12 augustus.
Hassan, Hussein, 2002, ‘Contracts in Islamic law: the principles of commutative justice and liberality’, Journal of Islamic Studies 13:3, 257–97.
Howladar, Khalid, 2010, Shari'ah Risk: Understanding Recent Compliance Issues in Islamic Finance, Moody’s Investors Service.
Lewis, M.K. en L.M. Algaoud, 2001, Islamic Banking, Cheltenham: Edward Elgar.
Maududi, S. Abul A’la, 1999, Economic System of Islam, vierde editie, bezorgd door Khurshid Ahmad, engelse vertaling van Riaz Husain, Lahore: Islamic Publications.
Muslim (Abul Husain Muslim bin al-Hajjaj al-Nisapuri), Sahih Muslim. Een Engelse vertaling is beschikbaar op de website met Islamitische bronnen van de University of Georgia, www.uga.edu/islam/, en op de site van Government College University te Lahore, www.gcu.edu.pk/Library/islam.htm.
Norfolk, Andrew, 2007, ‘Our followers “must live in peace until strong enough to wage jihad” ’, The Times, 8 september.
Obaidullah, Mohammed, 2005, Islamic financial services, Islamic Economics Research Center at King Abdul Aziz University, Jeddah, beschikbaar op http://islamiccenter.kau.edu.sa/english/publications/Obaidullah/ifs/ifs.html.
Pal, Izzud-Din, 1999, Pakistan, Islam, and Economics: Failure of Modernity, Karachi: Oxford University Press.
Qureshi, Anwar Iqbal, 1991, Islam and the Theory of Interest, herziene uitgave, Lahore: Sh. Muhammad Ashraf.
Salah, O., 2010, ‘ ‘Dubai Debt Crisis’: enkele privaatrechtelijke aspecten van de ‘Nakheel Sukuk’ ’, Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie 6383, 10 april.
Saleh, Nabil A., 1986, Unlawful gain and legitimate profit in Islamic law, Cambridge: Cambridge University Press.
Sinke, Marjorie J., 2007, Halal Mortgage: Islamic Banking and Finance (Also Containing Islamic Contract Law), Tilburg: Celsus Legal Publishers.
Stein, Siegfried, 2007, ‘Moneylending’, in Michael Berenbaum en Fred Skolnik, red., Encyclopaedia Judaica, 2e ed. dl. 14, Detroit: Macmillan Reference USA, 436-443. 
Talal, Rachida, 2007, Het ribāverbod in de moderne periode: “ribā versus rente?”, bachelorscriptie Radboud Universiteit Nijmegen, begeleid door prof. dr. Harald Motzki.
Ünal, Murat, en Christopher Ley, 2009, Shariah Scholars in the GCC – A Network Analytic Perspective, Funds@Work, Frankfurt, beschikbaar op www.funds-at-work.com.
Usmani, Muhammad Taqi, z.j., ‘Islamic finance: murabahah’,

http://www.darululoomkhi.edu.pk/fiqh/islamicfinance/murabaha.html#bai,

gedownload 29 juli 2008.
Usmani, Muhammad Taqi, 2007, Sukuk and their Contemporary Applications, beschikbaar op http://www.muftitaqiusmani.com.
Visser, Hans, 2009, Islamic Finance: Principles and Practice, Cheltenham: Edward Elgar.
Visser, Wayne A.M. en Alastair McIntosh, 1998, A Short Review of the Historical Critique of Usury (Riba), Accounting, Business & Financial History 8:2, 175-189, beschikbaar als http://www.lariba.com/knowledge-center/riba-history.htm.
Wilson, Rodney, 1997, Economics, Ethics and Religion, New York: New York University Press.
Zuberi, Haris, 2008, ‘Sharia Scholars’, The Islamic Finance Portal, http://ifresource.com/shariah-specialists-in-islamic-finance/.

Gedownload 8 oktober 2010.


Aanbevolen literatuur

voor wie zich verder wil verdiepen in het Islamitische financieren.
Algemene werken:

Mahmoud A. El-Gamal, 2006, Islamic Finance: Law, Economics, and Practice, New York: Cambridge University Press

M. Kabir Hassan en Mervyn K. Lewis (red.), 2007, Handbook of Islamic Banking, Cheltenham: Edward Elgar.

M.K. Lewis en L.M. Algaoud, 2001, Islamic Banking, Cheltenham: Edward Elgar.



Hans Visser, 2009, Islamic Finance: Principles and Practice, Cheltenham: Edward Elgar. Paperback editie 2010.

Willem G. Wolters, 2009, Islamitisch financieren tussen principes en realiteit, Arnhem: Sonsbeek Publishers.
Een zeer kritische visie is te vinden in

Timur Kuran, 2004, Islam and Mammon: The Economic Predicaments of Islamism, Princeton, N.J.: Princeton University Press.
Wie meer wil weten over het renteverbod in de verschillende godsdiensten is goed bediend met

A.J. van Straaten, 2002, Woeker en het verbod op rente, Amsterdam: Boom,

en het aangehaalde artikel van Wayne Visser en Alastair McIntosh, 1998.

Zie over rentevrij financieren ook:

Hans Visser, 2008, Waarom eenvoudig als het ook ingewikkeld kan: interestvrij financieren, uitgebreide tekst van het afscheidscollege op 14 maart 2008, Vrije Universiteit Amsterdam; beschikbaar op http://staff.feweb.vu.nl/hvisser

en op DARE http://hdl.handle.net/1871/12687
Ruimer over de economische ethiek:

Rodney Wilson, 1997, Economics, Ethics and Religion, New York: New York University Press.



Enkele websites:

www.failaka.com site met nieuws en uitleg over Islamitische financiële

theorie

www.isdb.org site Islamic Development Bank; met diepgravende



studies in The Islamic Research and Training Institute’s

online Occasional Paper Series

www.gcu.edu.pk/Library/islam.htm Islamic Resources van de bibliotheek van

GC University, Lahore; met o.a. volledige Hadith

verzamelingen in Engelse vertaling

www.uga.edu/islam/ site van de University of Georgia met Engelse vertaling van Islamitische bronnen, inclusief

Hadith verzamelingen

www.irti.org The Islamic Research and Training Istitute,

Djedda: Occasional Paper Series

islamic-finance.startpagina.nl/ portal

www.minaret.org Minaret of Freedom Institute, Bethesda, MD; Islamitische organisatie met voorliefde voor democratie

en vrije markt

www.newhorizon-islamicbanking.com kwartaaltijdschrift New Horizon

http://www.usc.edu/dept/MSA University of Southern California;

Islamitisch bronnemateriaal, inclusief Hadith-

verzamelingen en een verklarende woordenlijst.




1 Redeneren naar analogie, qiyas, is één van de methoden binnen de Islamitische rechtsgeleerdheid, de fiqh, om uit de Quran en de Soenna regels af te leiden voor zaken die daar niet expliciet geregeld zijn.

2 Een probleem is dat het Islamitische recht niet altijd een duidelijk onderscheid maakt tussen nietig en vernietigbaar (Lewis en Algaoud 2001 blz. 197).

3 Zie over Maududi Visser, 2009, blz. 1-4. In juli 2010 heeft de overheid in Bangladesh opdracht gegeven aan de bibliotheken van moskeeën om de boeken van Maududi te verwijderen, omdat die “militantie en terrorisme bevorderen en in strijd zijn met het vreedzame gedachtegoed van de Islam” (http://inkishaf.pk/tag/maulana-maududi/, 29 juli 2010). ‘Maulana’ is een titel die in India en Pakistan wordt gegeven aan een geleerde op het terrein van Perzisch en Arabisch.

4 Tenach is een acronym, gevormd uit de beginletters van Thora (Wet), Newie'iem (Profeten) en Ketoeviem (Geschriften; de uitspraak van de k-klank aan het begin van het woord ketoeviem verandert in een ch-klank aan het einde van het woord Tenach).

5 Dit is een sterk ingekorte versie van Visser 2009 blz. 39-45.

6 Ik dank de islamoloog dr. Jan Slomp, die mij in deze paragraaf voor een uitglijder heeft behoed.

7 Dit voorzover ze de Bijbel als het Woord van God zien en niet als het woord van de mensen over God.

  • Exodus 22
  • Deuteronomium 23
  • Ezechiël 18
  • Mattheüs 25
  • Lukas 19

  • Dovnload 426.49 Kb.