Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Actieplan aanpak radicalisering in gevangenissen Globale aanpak

Dovnload 56.46 Kb.

Actieplan aanpak radicalisering in gevangenissen Globale aanpak



Datum01.08.2017
Grootte56.46 Kb.

Dovnload 56.46 Kb.

Actieplan aanpak radicalisering in gevangenissen


  1. Globale aanpak

De regering heeft de aanpak van radicalisering in de gevangenissen tot een prioriteit gemaakt. De aanslagen in Parijs in december 2014, de aanslag in het Joods museum in Brussel eerder dat jaar, de geplande terreuracties die begin januari 2015 in Verviers konden worden verijdeld en de aanslagen in Kopenhagen, illustreren het belang van een doortastende aanpak van radicalisering en terrorisme. De noodzaak van een aangepast detentiebeleid maakt hier integraal deel van uit.

Gevangenissen als potentiële voedingsbodem voor radicalisering en rekrutering zijn zeker geen nieuw gegeven. Het gaat zowel om ideologisch en religieus geïnspireerde groeperingen die via gedetineerden hun netwerk proberen uit te bouwen in de gevangenissen. Vandaag is de verpakking in belangrijke mate van religieuze aard en wordt religie misbruikt om geweld te verrechtvaardigen.

Gedetineerden vormen een bijzondere kwetsbare groep voor radicalisering die verdere aandacht en opvolging verdient. Potentiële rekruten zijn vaak voor kleinere misdrijven opgesloten, maar door gevoelens van frustratie tegenover de samenleving, groepsdruk, de afsluiting van de “normale” samenleving, een zoektocht naar religieus of ideologisch geïnspireerde zingeving en/of het verlangen om tot een groep te behoren, zijn ze extra vatbaar voor een radicaal gedachtengoed dat zich afzet tegen de fundamentele waarden en grondrechten eigen aan onze samenleving.

Om dit te voorkomen worden in steeds meer Europese landen maatregelen genomen tegen de rekrutering en radicalisering binnen penitentiaire instellingen.

Er is heel wat discussie over wat nu de beste oplossing is om radicaliseringsprocessen tegen te gaan: een isolatie door concentratie enerzijds, waarbij geradicaliseerde individuen volledig worden afgesloten van andere gedetineerden om verdere besmetting tegen te gaan, of een isolatie door verspreiding onder andere gedetineerden anderzijds zodat hun ideologisch gedachtengoed niet verder gevoed kan worden.

Internationale inzichten op dit vlak zijn nuttig, maar tegelijkertijd laat de Belgische situatie zich soms moeilijk vergelijken met het buitenland gezien de vele verschillen tussen detentiesystemen en gevangenispopulaties. Er is dus nood aan een speciaal op de Belgische situatie geënt beleid, aangepast aan de omvang van het probleem.

Het beleid en de aanpak rond radicalisering dienen tevens coherent te zijn met het reeds bestaande beleid en lopende projecten. De centrale doelstelling in het beleid is tweeledig en bestaat enerzijds uit het vermijden dat gedetineerden geradicaliseerd worden tijdens hun verblijf in de gevangenis en anderzijds uit het uitwerken van een gespecialiseerde omkadering van geradicaliseerde personen tijdens hun detentie.

Door te streven naar :



  1. betere levensomstandigheden in de penitentiaire instellingen;

  2. een sterkere informatiepositie;

  3. efficiënte overleg- en coördinatiestructuren;

  4. de digitalisering en automatisering van de informatiestroom;

  5. een betere detectie van radicalisering;

  6. een weloverwogen plaatsingspolitiek;

  7. een geïndividualiseerde aanpak waar nodig;

  8. een systematische betrokkenheid van vertegenwoordigers van de erediensten;

  9. de-radicaliserings en disengagement programma’s en

  10. versterkte samenwerkingsverbanden met het lokale niveau, de deelstaten en Europa

dienen gedetineerden weerbaar gemaakt worden voor de invloeden van extremistische boodschappen binnen de gevangenismuren en moeten geradicaliseerde elementen kordaat en krachtig opgevolgd worden.

In het kader van de uitvoering van dit actieplan, zal Justitie ook doorgedreven overleg plegen met de deelstaten en hun respectievelijke administratieve diensten die binnen de gevangenismuren gevestigd zijn om na te gaan hoe deze kunnen bijdragen tot de strijd tegen radicalisering.

Tevens zal worden onderzocht of de Basiswet Gevangeniswezen moet worden herzien in functie van deze nieuwe uitdaging, met name dan op het vlak van plaatsing, bezoekregeling, briefwisseling, celonderzoeken e.d.


  1. Implementatie

Binnen het Directoraat-generaal Penitentiaire Instellingen (DG EPI) is een cel ‘extremisme’ opgericht, die verder vorm zal geven aan dit Actieplan en de uitvoering ervan zal coördineren. De cel bestaat uit drie medewerkers van het DG EPI met een specifieke competentie ter zake. Zij wordt verder aangestuurd vanuit de Regionale Directies Noord en Zuid. De cel zal, na verder onderzoek en consultatie van experten, voorstellen formuleren met betrekking tot de benodigde infrastructuur, het te ontwikkelen regime, de mate van controle op interne en externe contacten, de vereiste competenties van het personeel, en de noodzaak van eventuele toegevoegde veiligheidsmaatregelen. Verder zal deze cel ook instaan voor de centrale aansturing van de coördinatoren, kennis verzamelen en de informatie-uitwisseling bevorderen. De cel kan de lokale en regionale directie ook adviseren op het vlak van veiligheidsmaatregelen en veiligheidsregime (art. 110 e.v. Basiswet).


  1. Tien actiepunten




  1. Betere levensomstandigheden in de penitentiaire instellingen

Het krachtigste wapen in de strijd tegen de radicalisering binnen de gevangenissen is zonder twijfel een humaan detentiebeleid met respect voor de basisrechten van gedetineerden en een onverdroten focus op rehabilitatie en re-integratie. Aldus dient de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel ten uitvoer worden gelegd in psychosociale, fysieke en materiële omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigen, die het behoud of de groei van het zelfrespect van de gedetineerde mogelijk maken en die hem aanspreken op zijn individuele en sociale verantwoordelijkheid (cf. Art 5 van de Basiswet).

Ondanks een stabilisatie van de gevangenispopulatie in 2013 en een lichte daling in 2014, blijven de Belgische gevangenissen kampen met overbevolking. Dit is dan ook niet zonder gevolg gebleven voor de levensomstandigheden van de gedetineerden. Het Masterplan, samen met een reeks andere maatregelen gericht op het terugdringen van de gevangenisstraf ten voordele van andere straffen, zullen de huidige situatie pogen te remediëren zodat de gedetineerden in de toekomst in betere omstandigheden hun detentie kunnen ondergaan. Het Justitieplan zal deze aanpak meer in detail toelichten, zowel voor de categorie van de veroordeelden, de voorlopig gehechten als de geïnterneerden.

Het aanpakken van de overbevolking en het verbeteren van het welzijn van de gedetineerden door onder meer betere detentieomstandigheden en een betere infrastructuur zullen bijdragen tot het scheppen van een dusdanig klimaat waarin gedetineerden minder ontvankelijk zijn voor radicalisering. Meer oog hebben voor het welzijn van de gedetineerden is met andere woorden het fundament waarop alle andere maatregelen in de strijd tegen radicalisering zullen worden geënt.


  1. Een sterkere informatiepositie door een meer gerichte informatievergaring en analyse

Net zoals binnen de ruimere aanpak van radicalisering, is het vergaren van informatie met het oog op de aanpak van radicalisering in gevangenissen van groot belang. Omwille van specifieke omstandigheden eigen aan gevangenissen is de toegang tot deze informatie evenwel allesbehalve eenvoudig. Vandaag hebben de inlichtingen- en veiligheidsdiensten slechts een beperkte operationele dekking met betrekking tot radicalisering in Belgische gevangenissen. Om deze situatie te verbeteren zullen een aantal heel concrete inspanningen worden geleverd.

De Veiligheid van de Staat heeft binnen de dienst een sectie opgericht die zich specifiek zal toeleggen op de problematiek van radicalisering in de Belgische gevangenissen. De betrokken personeelsleden zullen tijdens het eerste trimester van 2015 worden gevormd. Vanaf het tweede trimester zal de sectie operationeel zijn en zullen de eerste collecte-inspanningen worden gerealiseerd. In het derde semester zullen contacten worden gelegd tussen de provincieposten en de lokale directies van het gevangeniswezen en in het vierde semester zullen de eerste resultaten worden voorgelegd in de vorm van een fenomeenanalyse van de problematiek.

Bij het vergaren van informatie dient nauw samengewerkt te worden tussen de inlichtingen- en veiligheidsdienst, de gerechtelijke autoriteiten en het DG EPI. De Veiligheid van de Staat zal ook bijzondere aandacht hebben voor radicaliserende invloeden van buitenaf, zoals bijvoorbeeld inmenging door buitenlandse mogendheden in Belgische gevangenissen.

Naast de inlichtingen- en veiligheidsdiensten speelt het personeel van de penitentiaire inrichtingen eveneens een belangrijke rol. Door hun dagelijkse contacten met gedetineerden zijn zij immers ideaal geplaatst om signalen van radicalisering vroegtijdig te onderkennen en te signaleren. Dit veronderstelt natuurlijk dat het personeel hier de nodige vorming voor krijgt. Dit aspect zal meer in detail worden behandeld in het onderdeel gewijd aan de vorming.

Daarnaast zal de Veiligheid van de Staat ook inzetten op een betere exploitatie en analyse van de vergaarde informatie. De dienst stelt volgende actiepunten voorop:


  • Een jaarlijkse fenomeenanalyse omtrent radicalisering in Belgische gevangenissen, die idealiter gepaard zal gaan met een aantal concrete aanbevelingen. Deze analyse kan ruim verspreid worden en is bedoeld om partners te sensibiliseren rond de problematiek.

  • Een maandelijks overzicht ten behoeve van het DG EPI en de Minister van Justitie omtrent vaststellingen binnen de gevangenismuren op vlak van radicalisering.

  • Dit overzicht zal ook worden besproken binnen het permanente overlegplatform.

  • In samenwerking met het OCAD en de Federale Politie (Centrale Directie voor de bestrijding van de zware en georganiseerde criminaliteit) een gedetailleerde inlichtingenfiche per terro-gedetineerde opstellen ten behoeve van het DG EPI. Het DG EPI heeft immers behoefte aan een snelle inschatting van nieuwe gedetineerden in functie van het vastleggen van het gevangenisregime.

  • Punctuele inlichtingen aan Belgische partners zowel op vraag als op eigen initiatief.

  • Een jaarlijkse overzichtsnota over de thematiek voor buitenlandse partners met als doel nuttige informatie te bekomen over hun vaststellingen en aanpak van radicalisering binnen de gevangenissen. Het kan een aanleiding zijn voor zinvolle uitwisseling over praktijken, methoden en theorieën.



  1. Efficiënte overleg- en coördinatiestructuren voor een optimale informatie-uitwisseling

Naast het vergaren en analyseren van informatie is ook de uitwisseling ervan tussen de diverse partners belangrijk. Een vlotte informatiedoorstroming via efficiënte overleg- en coördinatiestructuren is immers van cruciaal belang in het kader van een proactieve en reactieve aanpak.

De uitwisseling van informatie met betrekking tot radicalisering in gevangenissen gebeurt momenteel voornamelijk in een permanent overlegplatform, opgericht in het kader van het protocolakkoord tussen de Veiligheid van de Staat en het DG EPI (afgesloten op 20 november 2006). Dit protocolakkoord werd in november 2006 afgesloten en kadert in het federaal actieplan Radicalisme (Plan R). Aan het permanent overlegplatform nemen ook vertegenwoordigers van het OCAD, het Crisiscentrum en de centrale diensten Terrorisme van de federale politie deel. Het platform beoogt een optimalisering van de informatieverzameling en informatie-uitwisseling, zowel wat betreft het fenomeen zelf als op het vlak van inlichtingen met betrekking tot personen die bijzondere aandacht vragen. Deze samenwerking werd de afgelopen maanden significant opgedreven. Er wordt nu maandelijks vergaderd en de informatiestroom tussen alle partners is opmerkelijk verhoogd, wat nieuwe mogelijkheden voor de toekomst biedt. Deze mogelijkheden zullen in 2015 verder geïdentificeerd en uitgewerkt worden.


Het Federaal Parket maakt momenteel geen deel uit van het permanent overlegplatform, maar een eventuele deelname of een overleg onder een andere vorm zal in de komende weken met de Federale Procureur worden besproken.
Daarnaast worden er binnen het DG EPI coördinatoren aangesteld die centraal aangestuurd zullen worden door de cel extremisme, en die als aanspreekpunt zullen fungeren met betrekking tot de lokale voortgezette training van het personeel, de collecte en uitwisseling van informatie, de contacten met de lokale afdelingen van de veiligheidsdiensten, de ondersteuning van de directie en psychosociale dienst, en het lokaal aanspreekpunt zijn voor de vertegenwoordigers van de deelstaten bij het ontwikkelen van een aangepast aanbod hulp- en dienstverlening. De coördinatoren zullen elk, in één of meerdere inrichtingen, actief zijn. Waar nodig zullen inrichtingen worden geclusterd, zodanig dat elke inrichtingen op een coördinator zal kunnen steunen. Hun indiensttreding zal zo spoedig mogelijk gebeuren en ten laatste op 1 juni 2015 zodat de coördinatoren tegen december 2015 operationeel zijn.



  1. Digitalisering en automatisering van de informatiestroom

Digitalisering van de informatiestroom en een automatische verbinding tussen bestaande databanken is van groot belang.

Het tegemoetkomen aan de huidige regelgeving inzake informatiedoorstroming vanuit het gevangeniswezen naar andere partners vergt heel wat administratief werk. Dit gebeurt vandaag nog veel te vaak via papierwerk wat niet alleen zeer arbeidsintensief is, maar ook menselijke fouten mogelijk maakt. Het is de bedoeling om zo snel mogelijk een aantal van de gegevensstromen te optimaliseren en digitaliseren waar mogelijk.

Recent werd een grote stap voorwaarts gezet met de ingebruikname van een nieuwe software, SIDIS Suite, waardoor we nu beschikken over volledige digitale dossiers van gedetineerden. Dit zal ons toelaten om een digitale, snellere en meer volledige gegevensuitwisseling tot stand te brengen tussen het gevangeniswezen, het openbaar ministerie, de dossierbeheerders die in de justitiehuizen het elektronisch toezicht beheren en de federale en lokale politiediensten.

Prioriteit zal gegeven worden aan het verbinden van de gegevensbanken van de gevangenissen met deze van de federale politie. Deze gegevensuitwisseling zal in het bijzonder van belang zijn wanneer het gaat over de opvolging van geradicaliseerde gedetineerden die in vrijheid zijn gesteld onder elektronisch toezicht of onder andere maatregelen. Momenteel heeft de politie wel toegang heeft tot SIDIS Suite, maar niet via een geautomatiseerde verbinding. Op korte termijn zal er een automatische link worden gerealiseerd tussen SIDIS-suite en de Algemene Nationale Gegevensbank. In tussentijd zal voor de gedetineerden die in elektronisch toezicht gaan de politie van de plaats waar de gedetineerde resideert, verwittigd worden per fax/e-mail. Voor de verdere optimalisatie is er een doorlooptijd van drie maanden. Alles moet operationeel zijn uiterlijk einde 2015.

De Veiligheid van de Staat, die eveneens toegang heeft tot SIDIS-suite, zal deze nu ook ter beschikking stellen van zijn diverse provincieposten. Voor het personeel aldaar zal door de Veiligheid van de Staat een aangepaste vorming vanaf februari 2015 worden ontwikkeld, gebaseerd op eerdere vormingen door het DG EPI. De Veiligheid van de Staat zal tevens nagaan in welke een betere link kan gemaakt worden tussen SIDIS-Suite en de eigen databank.

Daarnaast zal ook nagegaan worden of er bijkomende aanpassingen en functionele uitbreidingen aan de SIDIS Suite en de toepassing SISET (elektronisch toezicht) dienen te gebeuren, waaronder bijvoorbeeld de integratie van het terro-register in SIDIS Suite, en welke kritieke data en informatie eventueel bijkomend dient geregistreerd te worden.

Het DG EPI krijgt ook toegang tot het Belgian Intelligence Network Information Infrastructure (BINII), een bestaand beveiligd netwerk tussen de politie- inlichtingen- en veiligheidsdiensten, ten einde het uitwisselen van geclassificeerde informatie te vereenvoudigen.




  1. Sensibilisering en basisopleiding met het oog op een betere detectie

Opleiding en vorming van het personeel zijn van uitermate groot belang niet alleen met het oog op detectie van radicalisering, maar ook in het kader van een gepaste omgang met en begeleiding van geradicaliseerde gedetineerden.

De Veiligheid van de Staat heeft in het verleden aan alle penitentiaire inrichtingen een sensibiliseringscursus gegeven die specifiek de radicaliseringsproblematiek behandelde. In totaal volgden ongeveer 150 personen deze opleiding. Het ging voornamelijk om gevangenisdirecteurs, leden van het hogere bewakingskader en medewerkers van psychosociale diensten. Daarnaast heeft de Veiligheid van de Staat ook een aantal specifieke opleidingen gegeven aan gevangenisdirecties en medewerkers van de opleidingsinstituten (volgens het principe “train the trainers”).

Justitie zal echter bijkomende inspanningen leveren voor de opleiding van personeel. Doelstelling is om het observatiepotentieel te verhogen en problemen tijdig te detecteren.

De thematiek van radicalisering in detentie zal via een module die vergelijkbaar is met een op de COPPRA (Community Policing and the Prevention of Radicalisation) gebaseerde opleiding worden geïntegreerd in de basisopleiding die wordt gegeven aan alle personeelsleden die in dienst treden (alle graden en functies). De COPPRA opleiding werd initieel ontwikkeld voor de wijkagenten maar biedt een aantal richtlijnen die ook voor het personeel in de penitentiaire inrichtingen nuttig zijn en die het personeel kunnen helpen bij het identificeren van radicalisering van gedetineerden.

Er is voldoende interne expertise binnen het DG EPI en de federale politie om dit opleidingsinstrument te ontwikkelen tegen eind juni. De opleiding moet vooral handvaten aanreiken die het personeel praktisch kan aanwenden op de werkvloer. Doelstelling is om het personeel ook te sensibiliseren voor mogelijk problemen, alsook om paniekvoetbal te vermijden en een efficiënte infoflux omtrent radicalisering in de gevangenissen te installeren. Deze opleiding zou bijvoorbeeld moeten toelaten om het onderscheid te maken tussen een orthodoxe geloofsbeleving en radicalisering.



Daarnaast dienen ook personeelsleden die reeds langer in dienst zijn dezelfde basiskennis rond radicalisering te verwerven. Om ook hen te bereiken, wordt geopteerd voor het samenstellen en aanbieden van een aangepaste module e-learning. Dergelijke opleiding kan lokaal worden ingepland en vergt weinig organisatie. Voor de ontwikkeling van dergelijke module zal de input en technische bijstand nodig zijn van externe experten. De e-learning module zou klaar moeten zijn tegen januari 2016.

Bijkomend worden een aantal infodagen georganiseerd. Er komt een infodag voor alle leden van de psychosociale dienst waarbij de nadruk zal komen te liggen op identificatietraining en aanpak radicalisering. Voor de directieleden zal een infodag worden georganiseerd rond de procedures die de centrale psychosociale dienst zal hanteren bij de selectie van geradicaliseerde gedetineerden die in de gespecialiseerde afdelingen geplaatst zullen worden (zie infra). Beide infodagen worden nog dit jaar georganiseerd.

Ten slotte heeft het DG EPI een projectvoorstel “vorming” ingediend bij de Europese Commissie in het kader van het Internal Security Fund. Mits goedkeuring van het project zullen vanaf september 2015 bijkomende middelen kunnen worden aangeboord voor vorming van personeel. Deze middelen zullen prioritair worden ingezet voor het ontwikkelen van doorgedreven opleidingen voor het personeel van de gespecialiseerde afdelingen.


  1. Een weloverwogen plaatsingspolitiek op basis van een oordeelkundige selectie

De opvang van geradicaliseerde gedetineerden is gebaseerd op een tweesporenbeleid. Concreet betekent dit dat er niet gekozen wordt voor een systematische concentratie van geradicaliseerde gedetineerden. In eerste instantie zullen deze gedetineerden maximaal worden geïntegreerd op de gewone afdelingen in zoverre dat geoordeeld wordt dat het radicaliseringsproces kan worden beheerst.

Wanneer dit niet mogelijk is en wanneer de gedetineerde een ernstig risico vormt op het vlak van radicalisering (actief of passief) en/of wanneer die zich (verder) engageert in een gewapende strijd vanuit ideologische motieven, kan de gedetineerde worden doorverwezen naar een afdeling waar in een gespecialiseerde aanpak zal worden voorzien.

Rekening houdende met de nodige infrastructuurwerken en dus ook de budgettaire impact kan voor 2015 de opening van een afdeling te Brugge (16 plaatsen) en Ittre (26 plaatsen) in het vooruitzicht worden gesteld. Deze afdelingen vragen de minste investeringen en bijgevolg is een ingebruikname mogelijk tegen december 2015.

Deze afdelingen mogen zeker niet begrepen worden als een bijkomende afdeling “hoge veiligheid”, maar wel als afdelingen waar gespecialiseerd personeel aanwezig is om met deze problematiek om te gaan en waar in de gepaste begeleiding kan worden voorzien. De actuele personeelsmiddelen zijn evenwel ontoereikend, zodat aanwervingen noodzakelijk zullen zijn. De selectie en opleiding zal vanaf juni 2015 gestart worden. Op te merken valt dat de geviseerde gedetineerden natuurlijk ook kunnen geplaatst worden in een individueel bijzonder veiligheidsregime, doch enkel wanneer voldaan is aan artikel 116 van de Basiswet, nl. wanneer ze een voortdurende bedreiging uitmaken voor de interne en externe veiligheid (zie infra).

Door de meest geradicaliseerde gedetineerden weg te halen uit de gevangenissen waar geen gespecialiseerde omkadering kan worden voorzien, wordt het risico op rekrutering en verspreiding van radicaal gedachtengoed gereduceerd, alsook het risico op netwerkverstrengeling tussen ideologisch geïnspireerde radicale netwerken en ‘reguliere’ criminele netwerken.

Het doorverwijzen van gedetineerden naar gevangenissen met gespecialiseerde omkadering zal gebeuren vanuit een geïndividualiseerde benadering en zal het voorwerp uitmaken van een specifieke assessment. Dit betekent dat de nodige expertise dient aanwezig te zijn om gedetineerden te selecteren die daadwerkelijk een risico vormen op rekrutering en verspreiding van radicaal gedachtegoed.

De dossiers van de gedetineerden waarvan de lokale psychosociale dienst, de lokale en regionale directies en/of de veiligheidsdiensten menen dat ze een risico vormen op vlak van radicalisering zullen worden overgemaakt aan de centrale psychosociale dienst. Deze zal zich dan verder uitspreken over de nood aan een gespecialiseerde omkadering, en dit na overleg met de lokale directie en de veiligheidsdiensten. Voor de centrale psychosociale dienst zal in een aangepaste opleiding worden voorzien (zie infra). Deze aanpak zal ook extra middelen met zich meebrengen vermits de instrumenten, die vandaag door de psychosociale dienst worden gebruikt bij de risicotaxatie, niet voldoen op het vlak van radicalisering en gewelddadig extremisme. Er zullen dus nieuwe instrumenten moeten worden aangeschaft (incl. training) en/of worden ontwikkeld tegen september 2015.

De beslissing tot overplaatsing zal uiteindelijk worden genomen door de Regionale Directie. Verdere observatie en oriëntatie zal plaatsvinden op de gespecialiseerde afdeling zelf. Lokaal zal, in samenspraak met de centrale psychosociale dienst en de veiligheidsdiensten, worden geadviseerd over eventueel verder behoud in geval van ernstig risico op het vlak van (actieve of passieve) radicalisering en/of engagement in een gewapende strijd vanuit religieuze en/of ideologische motieven) of re-integratie in een gewone afdeling.

Dit tweesporenbeleid waarbij er niet systematisch gekozen wordt voor concentratie zou enigszins de neveneffecten van geconcentreerde detentie moeten kunnen terugdringen. Onder neveneffecten wordt verstaan: het risico dat wanneer geradicaliseerde gedetineerden bij elkaar op een zelfde afdeling worden geplaatst, zij elkaar beter kunnen leren kennen en elkaar kunnen bevestigen in hun gemeenschappelijk radicaal gedachtegoed. Als gevolg zouden losse relaties in de gevangenis zich kunnen ontwikkelen tot hechte, georganiseerde netwerken die niet alleen een radicale ideologie delen, maar bovendien gezamenlijk de orde en veiligheid binnen en buiten de inrichting kunnen bedreigen.

Ten slotte is het van belang op te merken dat er een duidelijk onderscheid dient te worden gemaakt tussen de zogenaamde terro-gedetineerden en gedetineerden die een ernstig risico vorm op vlak van actieve en/of passieve radicalisering. Noch de eerste, noch de tweede categorie stellen a priori een veiligheidsprobleem. Zij die echter verdacht zijn van of veroordeeld voor terroristische activiteiten worden echter wel vaak geëvalueerd als gedetineerden met een hoog risicoprofiel, zowel naar interne als externe veiligheid toe. Indien nodig worden zij overgebracht naar de beveiligde afdelingen. Van zodra het veiligheidsrisico terug aanvaardbaar is, worden deze gedetineerden opnieuw naar reguliere gevangenissen getransfereerd.

In de gevangenissen van Brugge en Ittre zijn alvast werkzaamheden lopende en nog gepland voor de aanpassing van de infrastructuur

Binnen het DG EPI werd een project gelanceerd voor het uitwerken van een Risk Needs Assessment voor gedetineerden vanaf de start van hun opsluiting tot hun vrijlating. Deze informatie moet zich vertalen naar een detentieplanning rond het garanderen van de veiligheid en re-integratie.


  1. Gespecialiseerde omkadering met het oog op een geïndividualiseerde aanpak

Naast de "Sensibilisering en basisopleiding met het oog op een betere detectie" (zie actiepunt 5) zal tegen december 2015 tevens worden voorzien in een specifieke opleiding voor personeelsleden in de gespecialiseerde afdelingen.

De aangepaste opleiding voor het bewakingspersoneel (penitentiaire bewakingsassistenten, Ploegchef, penitentiaire assistenten) zal bestaan uit doorgedreven oefensessies met extra aandacht voor conflicthantering en –vermijding, de do’s & don’ts en de gevoeligheden bij deze groep van gedetineerden. De opleiding moet de penitentiaire bewakingsassistenten eveneens in staat stellen om observatierapporten op te stellen ten behoeve van de psychosociale dienst en directie.

Ook voor de leden van de lokale en centrale psychosociale dienst en de directie zal in een specifieke opleiding worden voorzien. Deze opleiding moet hen in staat stellen om: a) problematische situaties inzake radicalisering en gewelddadig extremisme te herkennen, optimaal in te grijpen en hierover te rapporteren, b) observatierapporten op te stellen ten behoeve van de regionale directie en veiligheidsdiensten, en c) informatie aan te leveren die de regionale directie in staat stellen een aangepast detentietraject uit te werken, en d) en een aangepast reclasseringsplan op te stellen.

De kandidaten voor de tewerkstelling in de gespecialiseerde afdelingen dienen onderworpen te worden aan een screening – veiligheidsattest in de zin van de classificatiewet. Het is immers van belang dat risico’s inzake veiligheid en rekrutering, ook onder personeel, worden voorkomen of tot een minimum worden beperkt.




  1. Systematische betrokkenheid van vertegenwoordigers van de erediensten

Godsdienstvrijheid is een van de pijlers van onze democratie. Deze vrijheid dient ook te worden gewaarborgd in onze gevangenissen. Wel is het zo dat de geloofspraktijk in de penitentiaire inrichtingen beter moet worden omkaderd, gezien het risico op radicalisering en in het bijzonder op religieus geïnspireerde radicalisering.

Daarom wordt binnen de Belgische gevangenissen gestreefd naar een open en constructieve relatie met de vertegenwoordigers van de erkende godsdiensten. Hun werk binnen de gevangenis is voornamelijk gericht op individueel contact en assistentie op aanvraag en het verzorgen van de collectieve erediensten. Ze bieden dus in de eerste plaats sociale ondersteuning, raad en een luisterend oor voor de individuele gevangenen, waardoor ze rechtstreeks en onrechtstreeks kunnen bijdragen aan de strijd tegen radicalisering in de gevangenissen.

Gezien de gevallen van ideologisch geïnspireerde radicalisering vaak gebaseerd zijn op radicale interpretaties van de islam, is de rol van islamconsulenten cruciaal. Islamconsulenten worden aan de Minister van Justitie voorgedragen door het Executief van de Moslims van België (EMB) nadat zij (1) een examen voor de theologische raad van het EMB hebben afgelegd; (2) een charter hebben ondertekend waarin zij onder meer beloven de wetten van het Belgische volk te zullen respecteren; (3) vertrouwd zijn gemaakt met het huishoudelijk reglement van EPI. Daarna worden zij gescreend door de Veiligheid van de Staat waarna zij kunnen worden aangesteld. Aan het DG EPI zal worden gevraagd om, zoals dit ook geldt voor de personeelsleden van de penitentiaire inrichtingen, de Minister te adviseren of kandidaten geschikt zijn om in een penitentiaire context te functioneren.

Er zal tevens nagegaan worden of bijkomend ook een soort statuut dient te worden opgesteld waarin hun rechten en plichten worden vastgelegd.

Er zijn momenteel 19 islamconsulenten die samen het kader opvullen van 17,15 op 18 voltijdse equivalenten. In een eerste fase zal getracht worden het bestaande kader volledig op te vullen. Bijkomend zal het kader van de islam consulenten worden verhoogd van 18 naar 27 VTE tegen december 2015. Hiervoor is, naast bijkomende middelen, ook een aanpassing van het betreffende Koninklijk Besluit nodig. Daarenboven zal gestreefd worden naar een grotere valorisatie van hun werk door hun functie aantrekkelijker te maken qua statuut en verloning.

Daarnaast zal het EMB worden aangespoord om meer vrijwillige islamconsulenten te motiveren. Op een totaal van 130 vrijwillige morele / religieuze consulenten zijn er immers slechts 8 vrijwillige islamconsulenten.

Er zal niet enkel worden gestreefd naar meer islamconsulenten, maar ook naar goed geschoolde islamconsulenten. Hoewel de functie van consulent een brede kennis vereist van zowel theologische vakken als menswetenschappelijke vaardigheden, hebben de meeste consulenten amper een opleiding genoten. De vorming die het EMB inricht voor de islamconsulenten en het examen dat dient te worden afgelegd alvorens iemand als islamconsulent in dienst kan treden, lijkt niet afdoende. De taak van islamconsulent vraagt echter een zeer specifieke, brede training en voortdurende bijscholing die vandaag niet beschikbaar is.

In nauwe samenwerking met het EMB en via een doorgedreven ondersteuning van het EMB zal gestreefd worden naar een kwalitatieve verbetering van de aanwervingsprocedure en de opleiding. Een behoorlijke functionele kennis van één van de landstalen is een basisvoorwaarde en er zal er ook over gewaakt worden dat de islamconsulenten over de nodige ervaring beschikken. In overleg met het EMB zal er bovendien een evaluatie gebeuren van de activiteiten van de islamconsulenten die nu reeds in dienst zijn. Het DG EPI zal het EMB adviseren bij de selectie van nieuwe islamconsulenten en de nodige ondersteuning bij opleiding voorzien.

Op termijn dient een diplomavereiste in Islamitische Theologie ingesteld te worden voor alle Islamconsulenten. Het spreekt voor zich dat de gemeenschappen hier een belangrijke rol zullen spelen om onder meer de Nederlandstalige en Franstalige universiteiten aan te sporen dergelijke opleiding aan te bieden.

Een opleiding door het DG EPI vlak na aanwerving moet de islamconsulenten vertrouwd maken met het huishoudelijk reglement in de gevangenissen, maar ook sommige van de interne opleidingen rond radicalisering voor het EPI personeel dienen open te staan voor de islamconsulenten. De melding van problemen rond radicalisering door islamconsulenten aan de lokale directie en de coördinatoren is een bijzonder aandachtspunt. Momenteel melden de islamconsulenten problemen soms wel informeel aan de gevangenisautoriteiten, maar is er geen enkele vorm van officiële rapportage voorzien. Het DG EPI zal hierover overleg plegen met het EMB en ook de Nederlandstalige en Franstalige coördinatoren van de islamconsulenten zullen hierbij worden betrokken.

De islamconsulenten zullen in de toekomst meer systematisch betrokken worden in projecten rond preventie van radicalisering en de-radicalisering binnen de gevangenissen. Hiertoe kunnen workshops met verschillende belanghebbenden en eventuele buitenlandse experten worden georganiseerd. Islamconsulenten kunnen ook een heel nuttige rol spelen bij de overgang naar vrijheid. Zij kunnen een brug vormen tussen de penitentiaire instelling en de familie en de imam van de lokale gemeenschap.

Van belang evenwel is dat islamconsulenten geen monopolie hebben op de aanbreng van religieuze kennis en dat ook andere bronnen een impact kunnen hebben op de gevangenen. Daarom dienen ook maatregelen te worden genomen om radicale invloeden van buitenaf te beperken door een strengere controle op literatuur, bezoekers, post, etc.

Het lokale niveau en het lokale netwerk dat reeds kennis heeft van deze problematiek kan hierbij ook worden ingeschakeld.


  1. De-radicaliserings en disengagement programma’s

Gevangenissen kunnen een potentiële voedingsbodem voor radicalisering zijn, maar kunnen evenzeer een goede setting bieden voor gedetineerden om tot andere inzichten te komen. Programma’s die streven naar de-radicalisering (zijnde het veranderen van een geradicaliseerd persoons zijn/haar gedachten) of ministens naar disengagement (wat neerkomt op het veranderen van een individu zijn/haar gedragingen) dienen te worden opgezet.

Hoewel er nog steeds veel discussie is over de aanpak van disengagement- en de-radicaliseringsprogramma’s, nl. individuele versus groepsaanpak, vrijwillig of gedwongen, belang van een ideologische tegenboodschap, etc. is in een aantal Europese en niet-Europese landen al heel wat expertise beschikbaar.

In België staat een disengagement beleid nog in de kinderschoenen maar we kunnen niet wachten met de ontwikkeling ervan totdat er voldoende nationaal wetenschappelijk onderzoek voorhanden is. De nodige expertise kan nu reeds worden gezocht in het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Duitsland en Spanje: vier landen die al veel eerder met de problematiek van ideologisch geradicaliseerde gevangenen geconfronteerd werden en al een jarenlange expertise hebben op dit vlak.

Er werden intussen contacten gelegd met verscheidene internationaal gerenommeerde experten uit deze landen. Daarna zal worden gekeken welke elementen van de buitenlandse aanpak ook in België toepasbaar zijn en kan een experimenteel project worden opgestart door de Gemeenschappen in samenwerking met het DG EPI.

Het opzet van dit project, dat vanaf mei 2015 van start zou kunnen gaan, zal zijn om een vormingspakket rond de-radicalisering en disengagement aan te bieden ten bate van sleutelpersoneel dat moet werken met deze ideologisch geradicaliseerde gevangenen, zowel in de gespecialiseerde afdelingen als in de gewone afdelingen. Dit vormingspakket zal idealiter ook openstaan voor de vertegenwoordigers van de erediensten, met een cruciale rol voor de islamconsulenten.

Dit vormingspakket zal een gesofisticeerde, op het individu gerichte methodologie aanbieden die het personeel moet ondersteunen om te werken op disengagement/deradicalisering en die onder meer de volgende elementen zal bevatten:



  1. Het identificeren van de mate van radicalisering van de gevangene;

  2. Het aanbieden van geschikte manieren om de dialoog aan te gaan met deze gevangenen;

  3. Het onderscheid leren tussen religieus gedrag en cultureel bepaalde praktijken;

  4. Het aanleren van geschikte gesprekstechnieken en methodes die kunnen helpen om de gevangene vatbaar te maken voor alternatieve zienswijzen;

  5. Het aanreiken van argumenten die gebruikt kunnen worden in de dialoog met de gevangenen;

  6. Een antwoord bieden op de meest voorkomende vragen en behoeftes van het personeel en van de gevangenen.

Hierbij zal gebruik gemaakt worden van experten wiens werkwijze zijn nut in de praktijk bewezen heeft en waarvan de technieken geënt zijn op inzichten uit de psychologie, pedagogie en theologie.





  1. Versterkte samenwerkingsverbanden met het lokale niveau, de deelstaten en Europa

De samenwerking tussen het DG EPI, in het bijzonder de psychosociale dienst, en de preventieambtenaren van de steden en gemeenten dient uitgebouwd te worden. Het is van belang om gedetineerden zorgvuldig voor te bereiden op de transitie van de gevangenis naar de maatschappij en te zorgen dat zij na detentie een nieuw bestaan en sociaal netwerk kunnen opbouwen, om recidive en terugkeer naar extremisme te voorkomen.


Er zal ook sterk worden ingezet op meer samenwerking met de deelstaten voor de domeinen waar zij ook binnen de gevangenismuren bevoegd voor zijn, zoals onderwijs, cultuur, welzijn en dergelijke meer. Door geradicaliseerde gedetineerden een perspectief op re-integratie te bieden, bijvoorbeeld door een opleiding, kan worden bijgedragen aan hun persoonlijke ontwikkeling en worden hun mogelijkheden vergroot om na afloop van de detentie vreedzaam en succesvol te re-integreren in de samenleving.
Een bijzonder aandachtspunt is de samenwerking met justitieassistenten die verantwoordelijk zijn voor de opvolging van gerechtelijke alternatieve maatregelen en die eveneens geconfronteerd kunnen worden met geradicaliseerde individuen. Een actieve inschakeling van de in de gevangenis aanwezige diensten onder de bevoegdheid van de deelstaten zal niet alleen bijdragen tot preventie van radicalisering maar ook tot het stopzetten of omkeren van het radicaliseringsproces. Ook hier zal de uitwisseling van informatie centraal staan. Er zal nagegaan worden hoe ook de vertegenwoordigers van de gemeenschappen in de overleg- en coördinatiestructuren kunnen worden ingeschakeld.
Een grote uitdaging ligt in het feit dat de organisatie van de hulp- en dienstverlening voor de betrokken gemeenschappen verschillend is, maar aangezien gedetineerden getransfereerd kunnen worden tussen Noord en Zuid is de uitbouw van eenzelfde strategie cruciaal.

Daarnaast dienen ook internationale samenwerkingsverbanden verder te worden aangehaald. Radicalisering in gevangenissen is immers geen exclusief Belgisch probleem. Ook andere landen hebben reeds diverse pogingen ondernomen om de problematiek aan te pakken. Die know-how dient erkend en meegenomen te worden in Belgische initiatieven met betrekking tot dezelfde problematiek. Een actieve deelname aan het Europese Radicalisation Awareness Network (RAN) is daarbij het ideale middel. Het RAN is een overlegplatform, opgericht door de Europese Commissie, dat bestaat uit eerstelijnswerkers die allen ervaring hebben met betrekking tot de aanpak van radicalisering in verschillende sectoren. Binnen tal van werkgroepen worden ervaringen, kennis en good practices uitgewisseld. Zowel het DG EPI als de Veiligheid van de Staat en het OCAD participeren aan de werkgroep “prison and probation” en zullen dat ook in de toekomst actief blijven doen.



In het kader van de European Organisation of Prison and Correctional Services (EuroPris), een Europese NGO opgericht in 2011, zal in de loop van 2015 de nodige aandacht worden besteed aan de problematiek en aanpak van radicalisering. Binnen dit netwerk plegen de directeurs-generaal van alle EuroPris leden regelmatig overleg met elkaar. Daaruit is gebleken dat er nood is aan een discussie in Europees verband over een gemeenschappelijke strategie om radicalisering in gevangenissen aan te pakken. De materie zal in de komende maanden worden aangekaart bij Europees commissaris voor Jusitite Vera Jourova.


  • Digitalisering van de informatiestroom
  • Prioriteit
  • Opleiding en vorming van het personeel
  • Daarnaast dienen ook personeelsleden die reeds langer in dienst zijn dezelfde basiskennis rond radicalisering te verwerven.
  • De nodige expertise kan nu reeds worden gezocht in het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Duitsland en Spanje

  • Dovnload 56.46 Kb.