Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


1. Organisaties

Dovnload 0.73 Mb.

1. Organisaties



Pagina1/8
Datum23.09.2018
Grootte0.73 Mb.

Dovnload 0.73 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8

Management
Omgevingsinvloeden

1. Organisaties

- Omgeving

→ Organisaties zijn een onderdeel van de maatschappij of samenleving. De samenleving kan worden opgevat als de omgeving waarbinnen de organisaties functioneren

- Partijen → stakeholders

- Omgevingsinvloeden

- Omgevingsfactoren → bv economische ontwikkeling, invloed van het milieu

- Afstemming: richten van de organisatie op de omgeving

2. Partijen

- Afnemers → van levensbelang

- Leveranciers


  • Macht van niet te leveren

  • Macht om bedrijffailliet te laten verklaren

  • Bv door internationale concurrentie verschuivingen op in de keuze van leveranciers

  • Klant wil steeds minder voorraden en eist van de leverancier “just-in-time”-leveringen

- Concurrentie

  • Macht om nieuwe onderneming buiten te sluiten

- Vermogenverschaffers, o.a aandeelhouders, financiële instellingen en de overheid

- Werknemers → kritische succesfactor

- Belangenbehartigingsorganisaties bv vakbond, Greenpeace

- Overheidsinstellingen

- Media

3. Omgevingsfactoren

Beïnvloeden de organisatie indirect en zijn slechts in beperkte mate door de organisatie te beïnvloeden. Echter van groot belang voor het succes van de organisatie



3.1 Milieufactoren



1. Milieuproblemen

- Duurzame ontwikkeling = er wordt voorzien in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Welvaart = graadmeter voor duurzaamheid

- Verlies van biodiversiteit

- Klimaatverandering

- Overexploitatie van natuurlijke hulpbronnen


  • Peak oil → tegen 2040 is alle olie op  Maar: altijd kans dat men nieuwe oliebronnen ontdekt dus tegenspreekbaar

- Bedreiging van de gezondheid →mythe: lucht en water zijn nog nooit zo zuiver geweest

- Bedreigingen van de externe veiligheid

- Aantasting van de leefomgeving


  • Green washing → bedrijf gaat zeggen dat ze groen zijn ook al zijn ze dit niet, dit omwille van marketing

  • De perceptie van de bevolking is belangrijk

  • Kunnen op termijn ook op andere gronden aan land- en akkerbouw doen

 Nood aan een internationale aanpak
2. Strategische aandachtsvelden

- Het schoonmaken van de huidige activiteiten

→ brownfields = heel sterk vervuilde gronden of bedrijfsterreinen

Organisaties moeten hun milieu-effecten in kaart brengen en milieuzorg toe te passen

- Het benutten van nieuwe kansen bv tgv als alternatief voor vliegtuig, nieuwe elektrische auto’s


  • Retoriek = wat mensen zeggen dat ze gaan doen; realiteit = wat er werkelijk gebeurt

Terugbrengen van de schade en het werken aan een duurzame ontwikkeling

- Het werken aan een duurzame toekomst → visie = toekomstbeeld


3.2 Technologische factoren

Technologische ontwikkelingen = motor van onze economie

→ Continue verbetering van productiemethoden

→ Innovaties van goederen en diensten

→ Marktgedreven proces
Gevolgen ontwikkeling informatietechnologie

1. Wijze waarop werk wordt verricht zal fundamenteel veranderen

→ Door informatica (computers) gaat de manier veranderen waarop we werken.



  • Eerste pc: 1981

  • 30 jaar later is er eigenlijk niets veranderd

→ Visie boek: Door communicatienetwerken kunnen de factoren van afstand en tijd sterk worden gereduceerd. Verder kunnen organisaties snel toegang krijgen tot informatie door het beschikbaar komen van elektronische databanken

2. Integratie van functies

  • Theorie Adam Smith: 1 persoon voert alle functies uit, we kunnen beter alles opsplitsen in functies om de productiviteit op te voeren

  • Volgens de integratie-theorie zouden meerdere functies samenkomen → niet logisch, door de informatica zouden we functies nog meer kunnen opdelen

3 vormen van integratie:

  • Binnen de organisatie: lokaal communicatienetwerk → verschillende afdelingen kunnen communiceren met elkaar en informatie uitwisselen

  • Tussen organisaties: afdelingen van verschillende organisaties zijn met elkaar verbonden. Bv inkoopafdeling van de klant is elektronisch verbonden met de verzendafdeling van de leverancier

  • Elektronische markten: coördinatie tussen organisaties die gekenmerkt wordt door een openmarktsituatie

3. Verandering in schaalvoordelen en besluitvorming

Afstemmingskosten zullen dalen doordat de activiteiten tussen de medewerkers beter afgestemd zijn



3.3 Demografische factoren

Demografische factoren zijn de omvang, groei en samenstelling van de bevolking. Deze factoren bepalen in grote mate op welke markt organisaties zich richten en welke goederen en diensten ze aanbieden.

De bevolkingspiramide heeft een enorme invloed op ondernemingen. De 65-plussers hebben een groot aandeel, dus gezondheidszorg voor die mensen is broodnodig.

Een indeling van ouderen:



  • Severly impaired → verzorging nodig in een bejaarden- of ziekenhuis

  • Mildly impaired → enkele gebreken

  • Well elderly → gezond, houden zich niet bezig met gezondheid

  • Healthseekers → vitaal en gezond en doen er alles aan om dit te blijven



3.4 Economische factoren

- Groei van het nationaal inkomen → invloed op particulieren: hoger inkomen zorgt voor meer koopkracht → voor organisaties: meer afzetmogelijkheden

- Inkomensverdeling

- Internationale economische ontwikkelingen



  • De economische groei in verschillende landen

  • Valutaschommelingen

  • Ontwikkelingen van de rentestand

  • Ontwikkelingen van het buitenlands loonpeil

- Werkgelegenheid → in de toekomst: vooral van structurele aard door de sterke concurrentie van de goedkope arbeid

- Globalisering → afhankelijk van internationale handel en investeringen



  • WTO = Wereldhandelsorganisatie

    • 147 leden

    • 3 fundamentele taken:

      • Institutionele versterking van de WTO

      • Verdere integratie van ontwikkelingslanden

      • De uitwerking van de relatie tussen handel en belangrijke thema’s als milieu, voedselveiligheid en fundamentele arbeidsnormen

- De koopkracht is zeer belangrijk. China (1,3-1,5 miljard) en India zijn de grootste.

3.5 Politieke factoren



Economische integratie

(vrijhandelszone = zwak; volledige politieke en economische unie = sterk)


5 vormen van economische integratie:

- Een vrijhandelszone



  • 2 of meer landen beslissen maatregelen te nemen om de vrijhandel tussen elkaar te bevorderen. Dit kan op verschillende manieren door bv de quota af te schaffen / te verminderen, douanetarieven af te schaffen / te verminderen.

  • Bv NAFTA (North American Free Trade Area)

- Een douane-unie of tolunie

  • Een extreme vrijhandelszone.

  • In die unie heerst een volledig vrij verkeer van handelsgoederen.

  • Bv de BLEU = de Belgische Luxemburgse Economische Unie

- Een gemeenschappelijke of interne markt

  • Een gebied zonder binnengrenzen.

  • Binnenin die gemeenschappelijke markt is het alsof er 1 land zou zijn.

- Een economische (en monetaire) unie

  • De huidige toestand in Europa.

  • In die zone wordt er een geharmoniseerde harmonische economische politiek gevoerd.

- Een volledige politieke en economische unie

  • Europa = 1 land en alle politieke en economische beslissingen worden door Europa genomen

streefdoel
Binnen de EU: gemeenschappelijke interne markt → 4 economische vrijheden:

  • Vrijheid van goederenverkeer

  • Vrijheid van dienstenverkeer

  • Vrijheid van kapitaalverkeer

  • Vrijheid van personenverkeer

→ Concurrentiepositie EU tov andere machtsblokken (Japan, VSn Zuidoost-Azië) mogelijk verbeterd wordt

3.6 Maatschappelijke factoren

Organisaties gaan steeds meer rekening moeten houden met wensen uit de maatschappij en richten zich op duurzaam ondernemen


Duurzaam ondernemen of maatschappelijk verantwoord ondernemen

→ Duurzame ontwikkeling

Hiermee geeft het bedrijf een bewuste en structurele invulling aan de maatschappelijke verantwoordelijkheid op een wijze die verder gaat dan de wet verplicht → toegevoegd waarde voor de samenleving als voor het bedrijf

5 thema’s: sociaal-maatschappelijk, cultureel, politiek, ethisch en milieu → aspecten: o.a klimaatverandering, biodiversiteit, werkgelegenheid, kinderarbeid

Concept bedacht door John Elkington

- People → personeel en maatschappij

- Planet → milieu in ruime zin

- Profit (prosperity) → economische zaken


1. Managementniveaus
Manager = een persoon die het handelen van andere mensen in een organisatie op gang brengt en stuurt. Een manager is veelal verantwoordelijk voor het (financiële) resultaat van een divisie of afdeling en geeft leiding aan een groep medewerkers.

Management = de organisatieleiding die tot taak heeft de onderneming te besturen → het managementteam

Managementteam = managers met verschillende deskundigheden, afkomstig uit de functionele gebieden die in de organisatie worden onderscheiden. In het bedrijfsleven: veelal divisie- of managers van businessunits
○ Beleidsformulerend: ● Beleidsuitvoerend:

- Vooruitzien - Delegeren

- Plannen - Controleren

- Organiseren - Motiveren






  • Topmanagement formuleert het beleid (inspirator)

    • Vnl beleidsformulerende taken

  • Middenmanagement stuurt de activiteiten van de uitvoerende medewerkers (lager management), kan uit meer dan 1 niveau bestaan → typisch probleem: zit tussen top en lager management

    • Zowel beleidsformulerende als –uitvoerende taken

    • Het door het topmanagement geformuleerde beleid dient door het middenmanagement te worden vertaald in operationeel beleid voor de divisie of afdeling

    • Beleidsformulerende: steeds meer taken van het topmanagement naar het middenmanagement → sleutelpositie voor veranderingen

  • Lagermanagement stuurt uitvoerende medewerkers (eerstelijnsmanagement) → afdelingschefs of groepsmanagers

    • Beleidsuitvoerende taken

Topmanager:



  • De belangrijkste inspirator en initiator van de huidige moderne onderneming

  • Symboolfunctie → verantwoordelijk voor de successen of faillissementen

  • Great communicator


2. Managementactiviteiten
2 typen managers: de functionele en de algemene manager
1. Functionele manager

Verantwoordelijk voor 1 functie maar voor alle producten (marketingmanager, financieel manager, …)


2. Algemene manager

Verantwoordelijk voor 1 product of markt maar voor alle functionele elementen (manager voor Belgische markt, manager voor divisie voeding in multinational, …)


3. Tendensen

- Afplatting → zijn minder managementniveaus en managers aanwezig, vanwege een integratie van het lager en het middenmanagement

- Coachen: minder direct leiding geven

- Verschuiving van functionele naar algemene manager → vooral veroorzaakt door organisatieontwikkelingen


3. Taken en rollen van de manager
1. Taken

Mensen en middelen sturen in een organisatie

Aantal bestuurlijke taken van leidinggeven:


  • Vooruitzien

  • Organiseren

  • Bevel voeren

  • Coördineren

  • Controleren


2. Rollen

Rol = een gedragspatroon dat verwacht wordt van iemand

3 rollen → 2 ondersteunende rollen:

- Interpersoonlijk: onderhoudt persoonlijke contacten (+/-80% van de tijd)

Voornaamste rollen:


  • Boegbeeld

  • Leider

  • Liaisonofficer → contacten buiten de eigen organisatorische eenheid

- Informationeel: verzamelt informatie bv door magazine te lezen (+/-10% van de tijd)

Voornaamste rollen:



  • Waarnemer

  • Verspreider

  • Woordvoerder

 Doel (= 3de rol): Besluitvormend: geeft richting aan beleid

Voornaamste rollen:



  • Ondernemer

  • Oplosser van strubblingen

  • Toewijzer van middelen

  • Onderhandelaar



  1   2   3   4   5   6   7   8

  • 2. Partijen
  • 3. Omgevingsfactoren
  • 3.2 Technologische factoren
  • 3.3 Demografische factoren
  • 3.4 Economische factoren
  • 3.5 Politieke factoren
  • 3.6 Maatschappelijke factoren

  • Dovnload 0.73 Mb.